Geen volwassen straf voor jeugdige dader

Vrij kort na elkaar hebben zich in ons land een aantal afschuwelijke misdrijven met dodelijke afloop voorgedaan waarbij jonge daders waren betrokken. Dat gold zowel voor de moord op leraar Hans van Wieren, als voor de moord op Maja Bradaric en het doodschoppen van Anja Joos. Opvallend aan deze zaken was dat de betrokken minderjarigen allen werden berecht volgens het gewone strafrecht.

De hoofdregel in het Nederlandse strafrecht luidt dat elke jongere in de leeftijd van 12 tot 18 jaar wordt berecht volgens het jeugdstrafrecht. De wet biedt de rechter echter de mogelijkheid verdachten die ten tijde van het delict 16 of 17 jaar oud waren, te berechten volgens het gewone strafrecht. Dat kan indien hij hiertoe aanleiding vindt in de ernst van het misdrijf, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het misdrijf is begaan.

Toepassing van het gewone strafrecht bij minderjarigen komt de laatste jaren ongeveer 200 maal per jaar voor, dat is bij ongeveer 2procent van alle berechte minderjarigen. Voordat het jeugdstrafrecht in 1995 werd herzien, lag dat aantal vele malen hoger. Maar aangezien in 1995 werd gekozen voor een verdubbeling van de maximumstraf van jeugddetentie, kan de rechter in veel meer gevallen bij ernstige delicten, gepleegd door minderjarigen, volstaan met het opleggen van een sanctie die toch binnen het jeugdstrafrecht past.

In de Verenigde Staten is berechting van jongeren volgens het gewone strafrecht in de meeste staten inmiddels routine geworden, ook bij zeer jonge kinderen. Effectief is het allerminst, zoals een geruchtmakend onderzoek in Florida drie jaar geleden heeft aangetoond: jongeren die volgens het gewone strafrecht waren berecht, bleken als ze weer vrij kwamen nog meer en nog ernstiger delicten te plegen dan degenen die volgens het jeugdstrafrecht waren berecht.

In Europa is het beeld gevarieerder. Overal geldt een bovengrens van 18 jaar, soms 19 jaar. Groot-Brittannië, Duitsland en België kennen, net als ons land, de mogelijkheid om daarvan af te wijken. Frankrijk, Italië, Oostenrijk en Zwitserland kennen die mogelijkheid echter niet. Daar geldt de bovengrens als vaste grens.

Dat is ook wel zo logisch, zeker als we naar de manier kijken waarop jongeren elders in ons rechtssysteem worden benaderd. Op tal van plaatsen houdt ons civiele recht immers rekening met de speciale status van minderjarigen. Ze mogen nog niet stemmen, geen belasting betalen, niet achter het stuur van een auto kruipen en ze moeten naar school. Voor het rijbewijs en al die andere zaken maken we geen uitzondering. Het is dus merkwaardig om dat wel in het strafrecht te doen.

Maar er zijn meer argumenten om een strikte bovengrens te handhaven bij de berechting van jeugdige delinquenten. Wat de vraag naar schuld en verantwoordelijkheid en daarmee naar de mogelijke strafmaat betreft, is de ontwikkeling van het zelfstandig oordeelsvermogen van jongeren relevant. Uit ontwikkelingspsychologisch onderzoek weten we dat dat in principe rond het zeventiende levensjaar volgroeid is. Maar dit gegeven wordt in belangrijke mate gerelativeerd door hun gebrek aan ervaring en hun extreme gevoeligheid voor groepsdruk. Recent hersenonderzoek laat bovendien zien dat met name de impulsbeheersing van 17-jarigen nog volop in ontwikkeling is.

Iets heel anders is de volwaardige deelname als partij aan het strafproces. Deze kwestie heeft vooral betekenis voor de vraag of zittingen met adolescenten openbaar mogen zijn. Tot hun veertiende zijn kinderen zeker niet in staat tot volwaardige deelname. Maar juist voor de jongeren die vanwege ernstige delicten voor de rechter verschijnen, geldt dat ook als ze 15, 16 of 17 zijn. Bij hen blijkt namelijk dat er vrijwel zonder uitzondering sprake is van ontwikkelingsachterstanden en een daarmee gepaard gaand onvermogen de implicaties van het eigen optreden in de rechtszaal te overzien. Dat was bijvoorbeeld duidelijk het geval bij Murat D. Overigens staat openbaarheid van de zitting bij jongeren ook op gespannen voet met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

Ten slotte is er het punt van de tenuitvoerlegging van de sancties: jongeren verharden al snel in een omgeving van volwassen criminelen. Hun positieve ontwikkeling wordt daardoor ondermijnd. Het onderzoek van de universiteit van Florida onderstreept het risico van deze aanpak.

Er zijn dus zwaarwegende argumenten om ons aan te sluiten bij de landen die een strikte bovengrens voor de berechting van minderjarigen hanteren. In elk geval geeft de huidige regeling de rechter te veel vrijheid. Dat leidt er toe dat daar soms op onjuiste gronden gebruik van wordt gemaakt.

Als we de uitzonderingsmogelijkheden uit het Wetboek van strafrecht zouden schrappen, resteert er echter één fundamenteel probleem. Daarop is onlangs gewezen door het Gerechtshof Den Haag in het hoger beroep tegen Murat D. In een enkel geval kan de rechter worden geconfronteerd met een jongere die dermate ernstig is gestoord dat de deskundigen betwijfelen of het maximum dat het jeugdstrafrecht biedt – in totaal 6 jaar plaatsing in een justitiële jeugdinrichting (PIJ) – wel voldoende zal zijn. Voor dergelijke gevallen zou de wet moeten voorzien in een soepele overgangsregeling van de jeugdmaatregel naar de tbs voor volwassenen.

Ido Weijers is pedagoog en hoogleraar Jeugdrechtspleging aan de Universiteit Utrecht.