Brussel is zo machtig als het de lidstaten uitkomt

De Brussselse bedilzucht stoort menig burger. Regeringen klagen ook vaak, maar zij vragen de EU ook vaak maatregelen tegen andere landen te treffen.

,,Bemoeienis op een detailniveau dat niemand voor mogelijk hield'' toen de Europese Gemeenschap in 1957 werd opgericht. Dat is voor de publicist Paul Bordewijk een argument tegen de nieuwe Europese Grondwet te stemmen. Hij noemt: slaapdiensten bij brandweer, ladders van de glazenwasser, subsidiëring van voetbalclubs, bacteriën in Franse kaas, de vraag of kapper onder het hoge of lage BTW-tarief valt en of historische zeilschepen wel mogen worden gebruikt voor toerisme. De lijst is niet uitputtend, denk bijvoorbeeld aan Europese normen voor het geluidsniveau van grasrollers of de kwaliteit van zwemwater.

Moet dat allemaal werkelijk Europees worden beslist? Deze vraag zit niet alleen Bordewijk dwars, getuige een spuitbustekst op een overigens (nog) leeg aanplakbord voor het referendum: ,,Nog meer regeltjes?''

Sinds het Verdrag van Maastricht (1991) komt de Europese Unie aan deze vraag tegemoet in de vorm van een expliciet subsidiariteitsbeginsel. Het Verdrag van Amsterdam (1997) voegde daar een apart protocol aan toe. De Grondwet bouwt daar nu op voort. Er is een hele procedure ten behoeve van nationale parlementen ontwikkeld met gele en rode kaarten.

Maar wat behelst het subsidiariteitsbeginsel inhoudelijk? De voorzitter van de conventie die de Grondwet ontwierp, de Franse oud-president Valéry Giscard d'Estaing omschrijft subsidiariteit als ,,de waarborg dat de Unie niet verder tussenbeide komt dan noodzakelijk is om zijn bevoegdheden geldend te maken in plaats van de lidstaten en plaatselijke collectiviteiten, wanneer deze in staat zijn actie te ondernemen''.

Dit is een ,,containerbegrip'', moet de Nederlandse afgevaardigde, het Tweede-Kamerlid Timmermans (PvdA) toegeven. De regering waarschuwde dan ook al bij het Verdrag van Maastricht dat ,,het subsidiariteitsbeginsel niet voor één uitleg vatbaar is'' en ,,geen panacee''. ,,Van belang is echter dat het subsidiariteitsdebat gevoerd wordt.''

De moeilijkheid is dat het beginsel een ingebouwde paradox bevat: het is zowel een tegenwicht voor te veel ingrijpen van bovenaf als een legitimatie om dat wél te doen. Dat is althans de les uit Duitsland, waar het subsidiariteitsbeginsel een belangrijke rol speelt in de omgang tussen de federale overheid en de deelstaten. In de Europese Grondwet is het ook nog eens gekoppeld aan een ander beginsel, namelijk dat van de ,,gemeenschapstrouw''. De lidstaten zijn verplicht spontaan alle maatregelen te treffen die nodig zijn om het gemeenschapsrecht uit te voeren en dienen zich zorgvuldig te onthouden van alles wat dat in de weg staat. Het Hof van Justitie van de EU tilt zwaar aan deze plicht. Alleen al in het decennium 1990-2000 speelde het beginsel van gemeenschapstrouw in 122 beslissingen van het Hof een rol.

En vergeet de lidstaten zelf niet. Landen klagen snel over onnodig ingrijpen door Brussel, maar zijn er als de kippen bij om maatregelen te vragen tegen praktijken van andere landen die hun niet aanstaan. Toen de Duitse deelstaat Beieren plastic eet- en drinkgerei verbande van de befaamde bierfeesten (met bijbehorende Geschirrwagen voor het spoelen van de traditionele glazen Steiners), kwam de Britse plasticindustrie direct met een Europese klacht. De EU-richtlijn inzake het maximale geluidsniveau voor grasmaaimachines kwam tot stand omdat Duitsland de import van concurrerende Italiaanse apparaten wilde tegengaan.