Schendingen Birmese junta in kaart gebracht

De Brit Guy Horton heeft jarenlang in het geheim onderzoek gedaan naar schendigen van mensenrechten door de Birmese junta. Nu wil hij internationale actie.

De afgelopen vijf jaar is Guy Horton meermalen in het geheim naar Birma gereisd om bewijsmateriaal te verzamelen over schendingen van de mensenrechten. Hij hoopt daarmee de aanzet te kunnen geven tot internationale actie tegen de militaire heersers van het land. Met financiële steun van Nederland en een grote niet-gouvernementele hulporganisatie heeft hij een reizen gemaakt naar de etnische regio's rondom het midden van Birma.

Deze gebieden zijn volgens hem `killing fields' geworden. Met getuigenverklaringen van slachtoffers, foto's, kaarten en films, en geadviseerd door juristen die werken voor het VN-tribunaal voor het voormalige Joegoslavië, beweert hij bewijzen in handen te hebben van slavenarbeid, systematische verkrachtingen, de ronseling van kindsoldaten, massaslachtingen en de doelbewuste vernietiging van dorpen, voedselbronnen en medische voorzieningen. Het resultaat is een 600 pagina's tellend rapport – `Levend sterven: Een juridische taxatie van mensenrechtenschendingen in Birma.'

Drie weken geleden verliet Horton zijn verblijfplaats in het noorden van Thailand om zijn rapport voor te leggen aan Amerikaanse, Britse, Canadese en Nederlandse functionarissen die op de hoogte zijn van zijn project. Zijn missie komt ten einde nu de junta aan toenemende internationale kritiek blootstaat.

De Zuidoost-Aziatische buurlanden van Birma krijgen steeds minder geduld met de verwaarlozing van de mensenrechten in het land, en de Verenigde Staten en de Europese Unie overwegen een boycot van de bijeenkomsten van de ASEAN (de Associatie van Zuidoost-Aziatische Landen) als Birma volgend jaar het roulerende leiderschap van deze organisatie overneemt.

De 54-jarige Horton neemt zelfs het woord `genocide' in de mond. ,,De mensenrechtenschendingen die het Birmese volk moet ondergaan, vormen ongetwijfeld misdaden tegen de menselijkheid. Maar de vernietiging van de huizen, medische voorzieningen en voedselbronnen van honderdduizenden leden van de etnische minderheden kunnen neerkomen op een poging tot het plegen van genocide.''

Aung Zaw, redacteur van het blad The Irrawaddy, dat wordt uitgegeven door in ballingschap in Chiang Mai verblijvende Birmezen, vindt genocide een ,,zwaarbeladen'' woord. ,,Iedereen is het slachtoffer van deze junta,'' meent hij, ,,ook andere Birmezen. Ik betwijfel of de junta een specifieke campagne heeft gelanceerd tegen het een of andere ras.'' (De etnische Birmezen vormen, met een omvang van naar schatting 60 procent van de bevolking, de meerderheidsgroepering in het land.)

Hoe dan ook, het verslag van Horton schildert een beeld van systematische onderdrukking, op basis van een hele reeks documenten, waaronder rapporten van het zogenoemde Thailand Birma Border Consortium (een verzameling westerse hulporganisaties) die melding maken van 2.536 gewelddadig ontruimde dorpen en 526.000 ontheemden, alleen al in het oosten van het land. Het haalt ook de schattingen aan van een Britse specialist, Martin Smith, dat sinds 1948 in de gebieden waar wordt gevochten miljoenen mensen van huis en haard zijn verdreven en dat ieder jaar gemiddeld 10.000 mensen de dood hebben gevonden, vooral door toedoen van ziekten.

,,Gewoonlijk valt het leger een dorp binnen,'', zegt Horton, ,,om alles van waarde te confisqueren, de dieren te slachten en de kookpotten en weefgetouwen te vernietigen. Het dorp wordt in brand gestoken en er worden mijnen gelegd. De inwoners worden overgebracht naar een andere plek, waar meestal niet genoeg voedsel en water is en waar ze tot dwangarbeid worden gedwongen, bijvoorbeeld in de wegenbouw. Op de lange duur overleven velen dat niet.''

Volgens Horton zijn er ten minste drie manieren om juridische actie te ondernemen tegen de junta. De krachtigste en moeilijkst te verwezenlijken methode is het vervolgen van de junta voor het Internationaal Strafhof in Den Haag. Ook is vervolging denkbaar voor nationale gerechtshoven, bijvoorbeeld in de VS en Groot-Brittannië. Maar volgens Horton is de makkelijkste weg het starten van een `civiele' procedure door een ander land voor het Internationale Gerechtshof, eveneens in Den Haag.

Ter verdediging van zijn verwijzing naar mogelijke genocide citeert Horton de Genocide Conventie uit 1948. De Conventie onderscheidt als één vorm van genocide `het doelbewust blootstellen van een groep mensen aan levensomstandigheden die de fysieke ondergang van de hele groep of een deel daarvan beogen'.

Hortons langste reis was een maandenlange verkenningsmissie in het gebied van de Karen, een van de etnische minderheden, in 2000. ,,Ik was nog maar net in Birma, toen ik hoorde dat de gids die ik zou ontmoeten was doodgeschoten'', zegt hij. ,,De soldaten zochten mij die nacht en ik schuilde in een hut. God weet waarom ze me niet hebben gevonden. Ik herinner me nog steeds het geluid van de bajonetten die op de geweren werden bevestigd''

Nadat hij aanvankelijk gefinancierd werd door de Jubilee Campaign, een Britse kerkelijke groepering, klopte Horton in 2002 voor extra geld aan bij het Nederlandse ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking. Een bekende hulporganisatie (die om anonimiteit heeft verzocht, omdat zij nog steeds in het gebied actief is) heeft het project eveneens gesteund.

De komende zes weken zal Horton regeringsfunctionarissen spreken in Londen, Ottawa en Den Haag. In New York moet hij de Birma Commissie van de VN inlichten, en in Washington zal hij Congresleden ontmoeten. In de hoop de organisatie voor gezichtsverlies te behoeden zeggen lidstaten van de ASEAN dat er een toenemende kans is dat Birma zal afzien van het roulerend voorzitterschap.

© New York Times Syndicate

Vertaling: Menno Grootveld