Franse denker over ethische mens

De Franse filosoof Paul Ricoeur, die afgelopen vrijdagnacht in zijn woonplaats Château-Malabry (bij Parijs) overleed, was een van de belangrijkste denkers van zijn generatie. Ricoeur, die in 1913 werd geboren en op tweejarige leeftijd oorlogswees werd, is voor het grotere publiek altijd in de schaduw blijven staan van de iets oudere Sartre of de jongere garde van Foucault en Derrida. Opgegroeid in een protestants milieu, het geloof waaraan hij zijn leven lang trouw is gebleven, was hij het tegendeel van de flamboyante Franse publieksfilosoof.

Ricoeur, die de Tweede Wereldoorlog in krijgsgevangenschap doorbracht, werd op 39-jarige leeftijd hoogleraar aan de Universiteit van Straatsburg en vier jaar later aan de Sorbonne. Tijdens de roerige jaren zestig was hij rector van de jonge universiteit van Nanterre. In 1969 bemiddelde hij vergeefs tussen de politie en contesterende studenten. Nadat die laatsten een prullenbak over zijn hoofd hadden leeggegooid, zocht Ricoeur diep geschokt enkele jaren rust in het buitenland. Ook na zijn terugkeer in Parijs bleef hij enkele maanden per jaar doceren aan de Universiteit van Chicago.

Ricoeurs werk kenmerkte zich door een zorgvuldige en geduldige ontrafeling van de wijsgerige problemen die hij onder handen nam. Als een van de eerste Franse filosofen zocht hij het gesprek met de Angelsaksische analytische filosofie en met contemporaine Duitse denkers als Jürgen Habermas. In zijn omvangrijke oeuvre van meer dan veertig boeken zocht Ricoeur een antwoord op de vraag hoe het kan dat de mens een ethisch wezen is.

Zowel in de (sociale) wetenschap als het in de jaren zestig populair wordende structuralisme dreigt de morele en zelfs de subjectieve kant van de menselijke persoon te verdwijnen. Ricoeur benadrukte echter steeds opnieuw dat de volledige mens aan deze reducties ontsnapt. Hij werd daarbij aanvankelijk sterk beïnvloed door christelijk-existentiële denkers als Karl Jaspers en Gabriel Marcel, maar hij liet zich ook inspireren door de fenomenoloog Edmund Husserl, wiens werk hij in krijgsgevangenschap ontdekte en vertaalde. De mens is een wezen met een keuzevrijheid, die ook naar de kant van het kwade kan doorslaan, zo stelde Ricoeur in de jaren vijftig in zijn driedelige studie Philosophie de la volonté (Filosofie van de wil) vast. Filosofie kan dus nooit een neutrale wetenschap blijven. Ze moet altijd een positie innemen tegenover het kwaad, dat ze met objectieve criteria niet goed kan begrijpen.

Om inzicht te krijgen in de grote morele vraagstukken, kon de filosofie volgens Ricoeur niet om de religieuze mythen heen, die daarop van oudsher hebben gereflecteerd. De mens is een wezen met een persoonlijke en een collectieve geschiedenis, en pas aan die concrete historie kan hij aflezen wat en vooral wie hij is. Voor Ricoeur werd de filosofie daarom steeds meer de kunst van het interpreteren van het menselijke levensverhaal. Onder die noemer schreef hij een invloedrijke studie over Freud, De l'interprétation (Over interpretatie, 1965) en een driedelig standaardwerk over de wijze waarop de literatuur inzicht biedt in het menselijk wezen door erover te vertellen, Temps et récit (Tijd en vertelling, 1983-85).

Na deze lange omweg keerde Ricoeur in 1990 met het boek Soi-même comme un autre (Zichzelf als een ander) terug bij zijn oorspronkelijke vraag: wat is het `ik' en hoe heeft het zich te gedragen? De mens heeft geen direct inzicht in zichzelf, zo concludeerde hij, maar leert zich alleen kennen als een personage in zijn eigen verhaal, dus altijd via een omweg en als een `ander'. Dat maakt de eisen van de moraal echter niet subjectief of relatief. Het ultieme criterium daarvan blijft het besef dat ook iedere `ander' (individueel en collectief) recht heeft op een eigen verhaal en identiteit.

Paul Ricoeur werd 92 jaar oud. Als een mens in zijn levensverhaal langzaam zichzelf leert te worden, is de dood dan het moment waarop de betekenis daarvan eindelijk duidelijk wordt, werd hem een paar jaar geleden in deze krant gevraagd. ,,Ach'', antwoordde hij nuchter, ,,als het een mooie dood is, valt dat natuurlijk voor ons te hopen.''