Foute argumentatie inzake referendum 1

In de bijdrage `Grondwet, maar niet helemaal' (NRC Handelsblad, 12 mei) staat: ,,Dan worden immers (tegelijk met verkiezingen) Tweede en Eerste Kamer ontbonden om er nog eens over te stemmen.'' Deze zin gaat uit van een onjuiste premisse. Alleen de Tweede Kamer wordt ontbonden, art. 137 lid 3 Grondwet. Sedert 1995 is de ontbinding van de Eerste Kamer geen onderdeel meer van de grondwetsherzieningsprocedure. De bedoeling van de ontbinding is dat de kiezer zich zij het indirect kan uitspreken over de voorgestelde wijziging van de Grondwet. In die zin is er ook een mogelijke analogie met het referendum.

In de praktijk wordt de ontbinding van de Tweede Kamer zo geregeld dat de ontbindingsverkiezingen vallen op een tijdstip waarop er toch al (periodieke) verkiezingen zouden worden gehouden. Dientengevolge ligt het accent bij de verkiezingen, in afwijking van het theoretisch uitgangspunt van de ontbinding, niet op de grondwetswijziging. Door het ontbreken van een debat over de grondwetsherziening en doordat er sowieso een nieuwe Kamer zou komen, wordt het belang van de tweede lezing gereduceerd tot het argument dat de Kamer(s) ,,er dan nog eens over stemmen''.

In de desbetreffende bijdrage leidt deze formulering bovendien tot een logische inconsistentie: als het enige belang is dat de Kamers ,,er dan nog eens over stemmen'', dan is het horen van het volk overbodig. Dan kan de aangehaalde analogie met de grondwetsherziening niet dienen als argument ter ondersteuning van het houden van een referendum inzake de goedkeuring van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa. En zo is het door de Raad van State ook niet gebruikt.