Europees onderwijs groeit oostwaarts

Europa is in hoog tempo bezig het hoger onderwijs op elkaar af te stemmen. Ook de voormalige Sovjet-republieken spreken Engels op de universiteit.

Het Europese hoger onderwijs is net als het Eurovisie Songfestival. Het aantal deelnemende landen blijft maar groeien en de nieuwkomers komen uit het oosten.

De Oekraïense president Viktor Joesjenko had dit weekend meerdere redenen om feest te vieren. Niet alleen de organisatie van het liedjesfestijn bracht zijn land - naar eigen zeggen - een stap dichter bij de Europese Unie. Samen met Armenië, Azerbaidjan, Georgië en Moldavië trad Oekraïne afgelopen vrijdag officieel toe tot de European Higher Education Area, het gemeenschappelijke hoger onderwijs van Europa. Die toetreding, tijdens een tweedaagse conferentie van alle Europese onderwijsministers in het Noorse Bergen, was minder fotogeniek dan het Songfestival. Na de opening van de conferentie, door vier zingende Noorse meisjes met kaarsen, was het gedaan met frivoliteiten. De stap richting Europa is waarschijnlijk echter groter.

Met de vijf nieuwkomers komt het aantal deelnemende landen aan het zogenoemde `Bologna Process' op 45. (Zes meer dan bij het Songfestival, bijvoorbeeld omdat de Heilige Stoel niet meezingt maar wel hoger onderwijs verzorgt.) In 1999 werd in Bologna besloten dat het Europese hoger onderwijs collectief overschakelt naar het tweeledige bachelor-master stelsel (bama) met Engelstalig onderwijs, om internationale uitwisseling tussen studenten en docenten te bevorderen en om gezamenlijk te kunnen concurreren met Amerikaanse universiteiten. Sindsdien komen de onderwijsministers tweejaarlijks bijeen om de voortgang te bespreken. In 2010 moet de invoering overal zijn voltooid. In Bergen werd vooral gecontroleerd hoever alle landen het traject zijn met het transformeren van hun hoger onderwijs.

Nederland behoort met de Scandinavische en Baltische landen tot de koplopers. Kanttekeningen bij de snelle invoering komen vandaag van de Inspectie voor het Onderwijs, maar op het tempo is niets aan te merken. Albanië, Andorra, Bosnië-Herzegovina en Servië hebben nog een lange weg te gaan. Turkije en Italië scoren matig als het gaat om kwaliteitszorg. Voor de Italianen was dat een reden om zich te beklagen over de publieke beoordeling.

Voor staatssecretaris Mark Rutte, verantwoordelijk voor het hoger onderwijs, was de Italiaanse klacht een bewijs dat zijn taktiek om prestaties openbaar te maken, prikkelend werkt. Rutte stelde in Bergen voor om het Nederlandse voorbeeld `Kennis in Kaart', een vorig jaar geïntroduceerde en omstreden vergelijking tussen prestaties van instellingen, op Europees niveau te volgen.

Ondanks nationale verschillen overheerste in Bergen tevredenheid over de bereikte resultaten. Tot nu toe ging het vooral om de structuurwijziging, de tweede periode van vijf jaar moet gaan over invoering. Nieuw daarbij is de `sociale dimensie': zorgen dat hoger onderwijs ook voor minder gefortuneerde studenten toegankelijk blijft. De grootste uitdagingen zijn controle van de kwaliteit van opleidingen, en erkenning van diploma's. Uitwisseling werkt immers pas als de onderwijskwaliteit overal goed en vergelijkbaar is.

Temidden van al die tevreden ministers bevonden zich slechts twee spelbrekers. De studenten, vertegenwoordigd via de koepel van nationale bonden ESIB, wezen op tekortkomingen van het `Bologna Process' in tal van landen. Mobiliteit van studenten wordt gehinderd door bureaucratie en visaverplichtingen, hun medezeggenschap is vaak beperkt en bij masteropleidingen wordt oneigenlijke selectie toegepast. Een van de gevolgen van de invoering van bama is, constateert de ESIB, dat meisjes vaker stoppen na hun bacheloropleiding dan jongens. Tijdens een door antiBologna-studenten georganiseerde schaduwconferentie bleek dat de snelle invoering van bama in Noorwegen nu tot verzet begint te leiden, ook bij docenten en bestuurders.

Ján Figel', de Slowaakse Eurocommissaris voor Onderwijs en Cultuur, had het feestje een maand geleden al verpest. In Bergen herhaalde de eerder vermoeid dan strijdbaar ogende Figel' de doemcijfers uit zijn recente notitie Mobilising the brainpower of Europe. In Europa neemt gemiddeld 52 procent van de jongeren deel aan hoger onderwijs, in de Verenigde Staten 81 procent. In Europa heeft 21 procent van de werkende bevolking hoger onderwijs genoten, in de VS 38 procent. Europese landen geven gemiddeld 1,1 procent van hun bruto binnenlands product (BBP) uit aan hoger onderwijs, de VS 2,7 procent. En dat terwijl de concurrentie groter is dan ooit, aldus Figel', die China nog buiten beschouwing laat. Minder gelijkheid, meer uitmuntende onderzoeksgroepen, meer uitwisseling en vooral veel meer geld, dat is volgens hem de remedie. Twee procent van elk BBP, dat is Figel's streven.

Als het werkelijk gaat om versterking van de concurrentiepositie van Europa, is de toetreding van voormalige Sovjet-staten dan wel opportuun? Heeft dat niet meer te maken met politiek dan met onderwijs? Figel': ,,Dit gaat niet om politiek, dit gaat om een mentale verandering, om uitbreiding van een kennisgemeenschap. We zijn een gemeenschap met gedeelde waarden. Kijk hoe snel dingen veranderen. Vijftien jaar geleden was Azerbaidjan een dictatuur, nu horen ze bij Europa.''

Viorelia Moldovan-Batrinac, de enthousiaste onderminister van Onderwijs van Moldavië, weet waarom Nederlandse studenten naar een van de zestien staats- of achttien privé-universiteiten van Moldavië moeten komen. ,,Natuurlijk is onze infrastructuur niet zo goed als in West-Europa. Maar we spreken onze talen, we bieden culturele diversiteit en de kosten van levensonderhoud zijn laag.'' Is er genoeg onderwijs in het Engels te volgen? Trots haalt de onderminister een in het Roemeens opgesteld decreet uit haar tas, net getekend door president Vladimir Voronin. Vanaf september 2005 zullen vijf Moldavische universiteiten volledig Engelstalig zijn.