Zonder de poëzie van het geloof is de wereld een stuk minder mooi

Zonder Zeus als donderwolk of huilende lijken wordt het leven een stuk armoediger, platter en betekenislozer. Beelden kunnen van alles uitdrukken wat niet uit te leggen valt. De beschaving gaat er niet op vooruit als we de religies, met hun enorme vermogen om iets uit te drukken, uit de wereld bannen.

De Amsterdamse pater van Kilsdonk zei het laatst, in een interview in Volzin, het `opinieblad voor geloof en samenleving'. Hij zei dit: ,,In de evangelies wordt alleen in beeldtaal gesproken. Ook de verrijzenisverhalen (...) zijn beeldtaal. (...) Wat de evangelies zeggen over het lege graf, wat wij zingen over in paradisum, is poëzie. Geloof is nooit uit te drukken zonder poëzie.''

Het is, uiteraard, een moderne, dat wil zeggen, hedendaagse opvatting. Vroeger beweerde men helemaal niet dat de bijbel uit poëzie en beeldtaal bestond. Het geloof, of het belang ervan en van het christendom, van de bijbelse en de kerkelijke traditie is beslist niet meer te redden met letterlijkheid – letterlijk geloven de meeste mensen al die verhalen niet meer. Het wordt snel erg kinderachtig als men gaat kissebissen over wel en niet waar, en het belang van één en ander verdwijnt er volkomen mee naar de achtergrond.

Het praten over dingen die ertoe doen gaat erg moeilijk zonder beeldtaal. Misschien is het zelfs wel onmogelijk daarzonder. Mensen verbeelden een heleboel, op allerlei manieren. We drukken in rituelen uit wat we niet op een andere manier kunnen zeggen. We zoeken vormen om onszelf in de gelegenheid te stellen boven het gewone praten uit te stijgen en iets meer uit te drukken. Kunst is zo'n vorm, maar ook de kerkelijke riten en formules zijn zo'n vorm.

Neem een gewone, seculiere, hedendaagse crematie. Niemand gelooft meer in wederopstanding, dood is dood. Een geliefde is, het is niet anders, veranderd in een lijk en we weten allemaal wat daarmee gebeurt. Strikt genomen zouden we onze doden net zo goed van huis kunnen laten afhalen en ergens hygiënisch laten vernietigen. Maar dat doet niemand, men heeft behoefte aan een ritueel, aan het bijeenkomen met meer mensen en elkaar dan in de gelegenheid stellen om de rouwenden in een andere vorm dan de gewone toe te spreken.

Natuurlijk is het ook mogelijk om rond de tafel te gaan zitten met een aantal mensen en herinneringen op te halen, dat gebeurt trouwens ook. Maar dat is wat anders dan dat iemand voor een zaaltje gaat staan en het woord neemt om tien minuten lang een portret te geven van de overledene. Bovendien is het mogelijk om zo, voor publiek, andere dingen te zeggen dan à l'improviste aan de keukentafel. Dingen die misschien te zwaar en te groot zouden klinken in de huiskamer, beweringen die te gestileerd zouden zijn boven een kop thee, maar die zonder stilering geen doel treffen. Vanaf het spreekgestoelte zou iemand zelfs wel kunnen zeggen: ,,Mogen de engelen haar geleiden naar het paradijs'', en daar iets mee uitdrukken dat iedereen op dat moment onderschrijft, ook al gelooft niemand van de aanwezigen in engelen en paradijzen, maar aan tafel klinkt dat nogal mal. Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, om te geloven in een werkelijkheid achter zulke woorden, het is niet zo moeilijk om in de woorden te geloven. Maar zonder vorm blijven ze ongezegd.

Behalve het gesprokene is er dan ook nog, bij voorkeur, een rituele handeling. De aanwezigen komen naar voren en lopen nog een keer langs de kist waarop ze bloemen leggen of niet, sommigen staan even stil, sommigen maken een kleine (gegeneerde, onhandige) buiging. Als een laatste afscheid, zeggen we. Terwijl we allemaal weten dat de andere partij er gewoon niet meer is, er valt geen afscheid meer te nemen, het is te laat. Maar zolang die kist daar staat, is het nog niet te laat – niet omdat we geloven dat de overledene eigenlijk niet echt dood is en naar ons kijkt, maar omdat we, tijdelijk, in het ritueel, de vorm, het beeld van afscheid nemen geloven.

Hoe beter een ritueel in elkaar zit, hoe meer het bewerkstelligt. Bij de begrafenis van Frans Kellendonk zagen de aanwezigen dezelfde pater Van Kilsdonk diep buigen voor de kist waarbij hij luidkeels de naam van de overledene uitsprak: ,,Frans Kellendonk!'' Het was mooi, aangrijpend zelfs. In het al genoemde interview zegt Van Kilsdonk: ,,Ik kan met water besprenkelen en ik kan buigen, zo dat iedereen psychisch mee buigt en mee besproeit.'' Zo is het. Men buigt psychisch mee. Daar zijn rituele handelingen goed voor, daar zijn ook religieuze of mythologische beelden goed voor.

Je leest de laatste tijd nogal eens dat de wereld er zo enorm in beschaving op vooruit zou gaan als de mensen zich van de godsdienst wisten te bevrijden. Het valt niet te ontkennen dat aan godsdiensten kanten zitten die uitermate onplezierig en verwerpelijk zijn, van de overtuiging dat iedereen die anders denkt beter dood kan zijn tot de bedilzucht die zich uitstrekt tot in de details van andermans leven.

Nu is het nog maar de vraag in hoeverre dat aan de godsdienst ligt en in hoeverre aan de menselijke natuur – godsdienst is een van de vele middelen die mensen gebruiken om hun zin door te drijven, anderen te koeioneren, de macht te grijpen en uit te maken wat goed en fout is. Mensen, veel mensen, houden daarvan. Ze hebben daar helemaal niet per se een godsdienst voor nodig, onder het mom van liefde doen ze het ook, of ze verzinnen ideologieën waarin iedereen gelijk moet zijn en zien daarin een reden om eerst de helft van de mensen een kopje kleiner te maken, ze willen dieren een beter leven bezorgen en steken daarom boerderijen in brand, ze geloven in de heilzame werking van de markt en laten bejaarden verkommeren. Daar is geen god bij nodig. Een diepe overtuiging is voldoende. En blijkbaar zijn mensen tot diepe overtuigingen in staat. En soms zijn we maar wat blij met zo'n overtuiging, als die zich niet tegen allerlei mensen en groepen keert maar zich juist in dienst stelt van anderen, het Albert Schweitzer- of moeder Teresa-type. Godsdiensten kunnen zowel de kwade als de goede neigingen behoorlijk versterken, zoals onlangs de Amerikaanse terrorisme-expert Jessica Stern nog zei in een interview dat Bas Heijne in M, het maandblad van NRC Handelsblad, met haar had: ,,geloof maakt goede mensen beter en slechte mensen slechter''.

Dus of de mensen zich gemiddeld veel beter zouden gedragen als de godsdienst de wereld uit was, is maar de vraag. Los daarvan kan men het geloof in hogere machten de wereld uit wensen uit een oogpunt van verlichting – het is verlichter, intellectueel gesproken, als iedereen zou inzien dat er geen goden zijn die ons leven bestieren.

Dat is misschien wel zo, maar toch zou met het verdwijnen van de poëzie van het geloof, de beeldtaal ervan, de wereld er enorm op achteruitgaan. In uitdrukkingsmogelijkheid, in spirituele rijkdom.

Onlangs vertoonde het Haags Filmhuis een Ingmar Bergman-retrospectief. In de film Avondmaalsgasten is een dominee te zien die van zijn geloof gevallen is, of die nog steeds valt, en die wanhopig is onder dit verlies waar hij toch tegenover zichzelf weinig op terug te zeggen heeft. Hij probeert het wel. Tegen een wanhopige man die met zelfmoordplannen rondloopt, zegt hij: ,,We moeten toch leven.'' ,,Waarom moeten we leven?'' vraagt de man. In eerste instantie heeft de dominee daar geen antwoord op. Want er is voor hem geen god meer die een antwoord op deze vraag zou kunnen zijn. De god in wie hij geloofde was kinderachtig, dat ziet hij nu zelf ook wel in: ,,Ik heb geloofd in een absurde privé-God de vader, die van alle mensen hield maar vooral van mij.'' Hij had, met andere woorden, het soort geloof dat ze bij de EO nog steeds propageren, het geloof in een god die voortdurend zit te kijken hoe het met zijn schaapjes gaat en die gewoon wat verandert als ze ongelukkig zijn. Zo vertelde een EO-voorman eens op de televisie over zijn dochter die een doodgeboren kindje had gekregen. Bij de tweede zwangerschap had de dokter zo maar ineens, zonder duidelijke aanleiding, ruim voor de uitgerekende datum gevonden dat ze naar het ziekenhuis moest. Daar werd toen, te vroeg, een gezonde baby geboren. Dat was, dacht de EO'er, omdat God gedacht had: ,,Dat moet niet nog eens misgaan'', en er toen iets aan gedaan had.

Het is een angstaanjagend soort denken, waarin de gelovige zichzelf in het middelpunt van het universum plaatst, precies daar waar hij voortdurend gods volle aandacht heeft.

Jorge Luis Borges schreef ooit terwijl hij bezig was blind te worden en dus heus wel iets had om god over aan te spreken, een `Gebed' met daarin de zoveel wijzere woorden: ,,Om te beginnen spreekt het vanzelf dat het me niet is toegestaan iets te vragen. Vragen of de nacht aan mijn ogen moge voorbijgaan zou een dwaasheid zijn (...) Het voortgaan van de tijd is een stramien van gevolgen en oorzaken, en vragen om een gunst – hoe gering ook – staat gelijk met vragen om de verbreking van een las van dat ijzeren stramien, met vragen of de breuk al een feit zij. Niemand verdient zo'n wonder.''

De god die voor ons zorgt, en dus niet voor sommige anderen, is een moeilijk vol te houden voorstelling die beter zou verdwijnen. Als ze tenminste zo letterlijk genomen wordt als de EO-man deed. Maar wat Borges wel overhoudt, is de vorm van het gebed – een vorm die het hem mogelijk maakt om dingen te zeggen die hij oprecht meent en die niet overtuigender gezegd zouden kunnen worden dan tegen `God'. Hij zou ongetwijfeld ook geen definitie van god weten te geven, maar één eigenschap hoort sowieso bij dat woord: tegen god kun je niet liegen.

Maar ook dat beeld van een god die voor ons zorgt, wordt iets heel anders als we zo'n beeld als poëzie opvatten, als een troostende gedachte in plaats van als een feitelijke waarheid. Neem psalm 139, de psalm die zo schitterend begint:

HEER, u kent mij, u doorgrondt mij,

u weet het als ik zit of sta,

u doorziet van verre mijn gedachten,

ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op,

met al mijn wegen bent u vertrouwd

In deze psalm wordt als troostrijk beeld aangeboden dat god altijd bij mij is, waarheen ik ook ga, zijn hand leidt mij. Wie zegt: ,,maar er is geen god die dat doet'', heeft vast gelijk. Maar dat neemt niet weg, dat zulke psalmen opgenomen kunnen zijn of worden in iemands denken en daarin een betekenisvolle rol kunnen spelen, zonder dat ze voor letterlijk waar gehouden worden. Ze zijn op een andere manier waar. Ze drukken een mogelijkheid uit, ze kunnen zelfs geloofd worden, als woorden.

Hetzelfde geldt natuurlijk voor kunst, voor poëzie, voor film, en ook voor schilderkunst en muziek. Bij die laatste twee kunstvormen is al duidelijker in te zien dat beelden, verbeeldingen, scheppingen een grote rol in ons leven kunnen spelen, zonder dat er iets is om het woord `waar' op van toepassing te verklaren. Iedereen weet dat muziek diep kan ontroeren, kan troosten, kan afleiden, met vreugde kan vervullen, met danslust en welbehagen, dat voor menigeen het leven zonder muziek oneindig veel schraler zou zijn. We vragen elkaar niet eens om dat uit te leggen, het spreekt vanzelf. Het gaat niet vooral om een boodschap die belangrijk is, er is een manier van uitdrukken die belangrijk is, en betekenisvol.

Al zijn er altijd mensen die vinden dat je van kunst meteen een beter iemand moet worden, die kunst als een soort medicijn zien, vergelijkbaar met godsdienst. Alles roept ons op tot braafheid. Maar zo is het niet. Muziek en schilderkunst, poëzie, films, toneel, romans, dans – ze hebben niet voortdurend een ondubbelzinnige boodschap die wij ons ter harte kunnen nemen. Gelukkig niet. Hoe saai zou de kunst dan zijn.

Bergmans films, om daar nog even op terug te komen, zijn niet ondubbelzinnig en niet letterlijk te nemen. Het zijn verbeeldingen, uitdrukkingen, dramatiseringen van kwesties die menigeen diep aangaan en die niet anders dan via zijn filmische verbeelding uitgedrukt kunnen worden. In de film Cries and whispers zien we een jonge vrouw die een verschrikkelijk ziekbed heeft voor ze sterft. Het is een opluchting als ze dood is, eindelijk bevrijd van haar pijn. Maar, zoals zo vaak bij Bergman, blijkt de lichamelijke pijn niets vergeleken bij de geestelijke pijn van de eenzaamheid. Het lijk huilt, het klaagt over koude handen, het wil gezelschap. Eén voor één roept de dode haar twee zusters bij zich. De ene zuster zegt ijskoud: ,,Ik houd niet van je'', de andere maakt zich in paniek uit de voeten.

Natuurlijk huilen doden niet, en praten ze niet. Toch is dat een verbeelding die in films en romans nogal eens wordt aangegrepen. Het praten van gene zijde geeft een andere klank aan wat er gezegd wordt, het perspectief is zodanig veranderd dat alles in een ander licht komt te staan en de levenden worden heel anders, veel absoluter, aangesproken door een dode. Het doet er niet toe dat het niet kan. In de verbeelding kan het wel. Zoals Maria Magdalena de gestorven Christus kan tegenkomen in de tuin, en kan denken dat hij de tuinman is, tot haar de ogen opengaan en ze hem herkent. Dat is een betekenisvol beeld, over de betekenis waarvan je ook nog van alles zou kunnen zeggen. Maar het is geen onzin, omdat het niet letterlijk waar kan zijn.

Hetzelfde geldt voor mythologie, voor Zeus die een zwaan kan zijn en een gouden regen en een donderwolk. In alles kan de god zich schuilhouden, alleen het onverdunde zien van goden, dat verdraagt een mens niet. De stervelinge die haar goddelijke minnaar van aangezicht tot aangezicht wilde zien, verbrandde bij de aanblik, Psyche die Amor met een blakertje bekeek, hoewel haar dat verboden was, werd terstond uit het paradijs verdreven. Beelden waarvan gemakkelijk valt in te zien hoeveel ze uitdrukken, zelfs als je dat vele niet allemaal weet uit te leggen, of beter nog: juist omdat dat vele niet allemaal uit te leggen of anders te zeggen valt. Dat is de rijkdom van de beelden. Zonder die beelden wordt het hele leven een stuk armoediger, platter, betekenislozer.

Het zal wel om die reden zijn dat ik vind dat de beschaving er niet enorm op vooruit zou gaan als we de religies met al hun vragen, tradities, rituelen, antwoorden, beelden, verbeeldingen, muziek, poëzie, filosofie, met hun enorme vermogen om iets uit te drukken wat op geen enkele andere manier uitgedrukt kan worden maar wat toch van het grootste belang is, uit de wereld wisten te bannen.

Religie is geen kunst, ze richt zich op iets anders, maar ze maakt gedeeltelijk gebruik van dezelfde middelen. Die middelen zijn ook niet `alleen maar beelden'. Zonder beeldtaal is er, zoals gezegd, geen mogelijkheid om over religieuze vermoedens, verlangens en vragen te praten. Omdat het gaat over iets waarvan we niets weten. De beelden zijn voorstellingen die we ons maken van hoe de antwoorden op levensvragen zouden kunnen zijn, de rituelen zijn manieren om iets te doen daar waar geen enkele feitelijke handeling (nog) zin heeft. Zoals Paul Valéry eens schreef: ,,Een religie verschaft mensen woorden, handelingen, gebaren en gedachten voor de omstandigheden waarin zij niet weten wat te zeggen, wat te doen, wat te denken.''

Een van de allermooiste beelden in de bijbel is de scène in Getsemane. De doodsbange man, de vrienden die niet in staat zijn zich zo in zijn toestand te verplaatsen dat ze samen met hem wakker kunnen blijven, de eenzaamheid van degene die weet dat hij gaat sterven, zijn angst, zijn maar al te menselijke tot de hemel gerichte verzoek dat het allemaal niet door hoeft te gaan. Het is het soort verzoek dat van Borges niet gedaan mag worden, en dat ziet de eenzame man die daar kreunt in het donker ook in, precies zo. Hij zegt dan: ,,Maar laat het niet gebeuren zoals ik het wil, maar zoals u het wilt.'' Dat is beeldtaal die hetzelfde uitdrukt als die onverbrekelijke keten van Borges: dat er niets aan de gang van het universum veranderd kan worden, omdat een individu dat toevallig wil. De scène laat trouwens nog meer zien dan dat, namelijk overgave aan wat niet anders kan. De loop der dingen, het lot, de wetten van het universum: ,,zoals u het wilt''. Er is een moment om zich te verzetten, er is een moment om zich te verzoenen. Dat laatste wordt hier uitgedrukt – in de grootste wanhoop.

Zo eindigt ook Bergmans Avondmaalsgasten, de film over de vallende dominee die een wanhopige man niet van zelfmoord kon afhouden, die niet in staat is om van een vrouw te houden, die niet meer gelooft en geen enkel antwoord heeft op welke levensvraag dan ook, met een prachtig en eenzaam beeld. De dominee moet een dienst houden en heeft zich grieperig en wel naar een afgelegen kerk gesleept. Er is niemand komen opdagen en de organist vraagt of de dienst wel doorgaat. Hij krijgt geen antwoord, maar de klokken worden geluid en hij zet de openingshymne in. De dominee verschijnt op de preekstoel. Hij begint, ook al heeft hij geen geloof en geen antwoorden meer. Het leven moet geleefd worden en de liturgie uitgevoerd, al is het niet zeker of hij de liturgie voltrekt of de liturgie hem. Hij zegt: ,,Heerlijk, heerlijk, heerlijk is de naam des Heren, de ganse wereld is vervuld van zijn heerlijkheid.''

Poëzie. In de meest omvattende zin.

Redacteur van NRC Handelsblad.