We moeten ons voorbereiden op een Koude Oorlog tegen China

Waarom maken de Amerikanen zich zo druk om Irak en het Midden-Oosten? De opkomst van de nieuwe supermacht China is veel zorgelijker. De 21ste eeuw zal voor een groot deel worden gekleurd door een krachtmeting in de Grote Oceaan tussen China en de Verenigde Staten.

Het is alweer een tijd geleden dat de Verenigde Staten voor het laatst door zee- of luchtstrijdkrachten zijn bedreigd. Wij hebben alleen te duchten gehad van legers: conventionele troepen of guerrillarevoltes. Dat zal spoedig veranderen. De Chinese marine ligt klaar om de Grote Oceaan op te varen, en zodra dat gebeurt, zal zij spoedig stuiten op een Amerikaanse marine en luchtmacht die er niets voor voelen om het Aziatisch continentaal plat te verlaten. Het vervolg kun je je wel indenken: een herhaling van de tientallen jaren durende Koude Oorlog, met als zwaartepunt niet het hart van Europa, maar de atollen in de Grote Oceaan die voor het laatst in het nieuws zijn geweest toen de Amerikaanse mariniers ze in de Tweede Wereldoorlog bestormden. De komende decennia gaat China een asymmetrisch kat-en-muisspel met ons spelen in de Grote Oceaan, waarbij het niet alleen zal profiteren van zijn lange kustlijn, maar ook van zijn achterland, dat tot diep in Centraal-Azië reikt – vanwaar het uiteindelijk misschien schepen op de Grote Oceaan nauwkeurig met raketten zal kunnen bestoken.

Bij ieder treffen op zee zal China duidelijk in het voordeel zijn tegenover de Verenigde Staten, ook al ligt het op militair-technologisch gebied nog achter. Het heeft in elk geval het voordeel van de nabijheid. Zijn strijdkrachten leren gretig en snel van de concurrentie, en de manier waarop het gestaag aan een `zachte' macht bouwt, getuigt van grote flexibiliteit. Terwijl stateloze terroristen veiligheidsvacuüms opvullen, vullen de Chinezen economische leemtes. In heel de wereld, op zo verschillende plaatsen als de roerige eilandstaten van Oceanië, de Panamakanaalzone en afgelegen Afrikaanse landen, ontwikkelen de Chinezen zich tot meesters van de indirecte invloed – door zakencentra en diplomatieke voorposten te vestigen, en door bouw- en handelsovereenkomsten te sluiten. China, dat bruist van consumptiedrang en krijgshaftige energie, en dat kan bogen op een boerenstand die, anders dan sommige andere uit de geschiedenis, in grote meerderheid kan lezen en schrijven, vormt het voornaamste conventionele gevaar voor Amerika's democratische imperium.

Hoe moeten de Verenigde Staten zich voorbereiden op de problemen in het gebied van de Grote Oceaan? Om de dynamiek van die tweede Koude Oorlog te begrijpen – die China en de VS wellicht voor de duur van enkele generaties aan elkaar zal kluisteren – is het noodzakelijk om bepaalde dingen over de eerste Koude Oorlog, en over de huidige problematische toestand van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), die is opgezet om die strijd te voeren, goed te begrijpen.

Allereerst dient men te begrijpen dat het stelsel van allianties uit de tweede helft van de 20ste eeuw dood is. Oorlogvoering in groepsverband, zoals de NAVO placht te doen, is eenvoudigweg te omslachtig geworden in een tijdperk dat lichtvoetige, dodelijke aanvallen vereist. Tijdens de strijd in Kosovo – een beperkte campagne tegen een machteloze vijand in een tijd van Euro-Amerikaanse harmonie, een campagne dus die heel eenvoudig had moeten zijn – kwamen in de toen 19 leden sterke NAVO zeer ernstige scheuren aan het licht. Het feitelijke einde van die organisatie kwam met de Amerikaanse invasie in Afghanistan; in de nasleep daarvan was weliswaar sprake van een brede coalitie, maar daar hebben de Europese strijdkrachten doorgaans niet veel meer gedaan dan patrouilleren en gebieden binnentrekken die al door Amerikaanse soldaten en mariniers waren gepacificeerd – meer iets voor de Verenigde Naties.

Ten tweede dient men te begrijpen dat de functionele plaatsvervanger voor een NAVO van de Grote Oceaan al bestaat, en volop functioneert. Dat is het Amerikaanse Pacific Command, bekend als PACOM. PACOM, dat door geen bureaucratie van diplomaten wordt gehinderd, is een groot maar wendbaar geheel, en zijn leiders begrijpen wat velen in de media en de wereld van de beleidsmakers niet begrijpen: dat het strategische zwaartepunt voor Amerika nu al in de Grote Oceaan ligt, niet in het Midden-Oosten. PACOM zal spoedig een vertrouwd begrip zijn, zoals CENTCOM (het centrale commando van de VS) dat is in het huidige tijdperk van het conflict in het Midden-Oosten.

Ten derde dient men te begrijpen dat, ironisch genoeg, de vitaliteit van de NAVO zelf, het Atlantisch bondgenootschap, door de Koude Oorlog in de Grote Oceaan zou kunnen worden opgepept. Amerika zou er zelfs vastberaden op moeten aansturen dat de NAVO weer een onmisbaar instrument wordt om oorlog te voeren. In hun opstelling jegens China zullen de Verenigde Staten rekening houden met Europa en de NAVO, wier bijstand zij nodig zullen hebben als strategisch tegenwicht, en trouwens ook als strijdmacht voor patrouilles in zeeën die verder weg liggen dan de Middellandse Zee en de noordelijke Atlantische Oceaan. Daarom benadrukt generaal der mariniers James L. Jones, de huidige bevelhebber van de NAVO, dat de toekomst van de NAVO ligt in amfibische expeditieoorlogvoering.

Laat ik een beschrijving geven van onze militaire organisatie in de Grote Oceaan – een gebied dat ik de afgelopen drie jaar uitvoerig heb bereisd. PACOM is altijd het grootste, eerbiedwaardigste en interessantste van de Amerikaanse militaire bevelsregio's geweest. Zijn territorium, dat zich van Oost-Afrika uitstrekt tot voorbij de internationale datumgrens, en dat de hele zoom van de Grote Oceaan omspant, omvat het halve aardoppervlak en meer dan de helft van de wereldeconomie. De zes grootste krijgsmachten van de wereld, waaronder de twee die het snelst gemoderniseerd worden (die van Amerika en China), opereren binnen het domein van PACOM. PACOM bezit, naast vele oorlogsschepen en onderzeeërs, veel meer gespecialiseerde troepen dan CENTCOM. De regiocommando's van tegenwoordig zijn weliswaar niet meer, zoals vroeger, echt eigenaar van hun troepen, maar toch zijn deze cijfers van belang, want ze illustreren dat de Verenigde Staten het leeuwendeel van hun troepen niet in het Midden-Oosten hebben gestationeerd, maar in het Grote Oceaangebied. In feite voert CENTCOM oorlog met troepen die zijn geleend van PACOM.

De afgelopen jaren heeft de Amerikaanse krijgsmacht stilletjes aan, door bilaterale veiligheidsovereenkomsten te sluiten met landen die onderling maar weinig van zulke overeenkomsten hebben, in het hoofdkwartier van PACOM in Honolulu een soort militaire alliantie van de Grote Oceaan gevormd. Daar vinden tegenwoordig de werkelijk interessante bijeenkomsten plaats.

Otto von Bismarck, de vader van het Tweede Rijk op het Europese vasteland, zou het opkomende Grote Oceaanstelsel herkennen. Dat heeft de Duitse commentator Josef Joffe in 2002 onderkend in een opmerkelijk scherpzinnig artikel in The National Interest, waarin hij betoogde dat de Verenigde Staten wat politieke allianties betreft aardig beginnen te lijken op het Pruisen van Bismarck. Groot-Brittannië, Rusland en Oostenrijk hadden Pruisen meer nodig dan elkaar, schreef Joffe, en zij waren dus spaken rond de naaf Berlijn. De Amerikaanse invasie in Afghanistan bracht een wereld aan het licht waarin Amerika voor verschillende crises verschillende coalities kan smeden. De overige mogendheden van de wereld, zei hij, hebben de Verenigde Staten nu meer nodig dan elkaar.

Jammer genoeg hebben de Verenigde Staten niet meteen munt geslagen uit de nieuwe machtsverhoudingen, omdat het president George W. Bush ontbrak aan de fijnzinnigheid en de bijbehorende zelfbeheersing van Bismarck, die begreep dat zo'n stelsel alleen kan standhouden zolang je je hand niet overspeelt. En dat is natuurlijk precies wat de regering-Bush heeft gedaan in de aanloop naar de invasie in Irak, die Frankrijk, Duitsland, Rusland en China, en een menigte kleinere mogendheden als Turkije, Mexico en Chili, gezamenlijk tegen ons in het harnas heeft gejaagd.

Maar in het Grote Oceaangebied ligt een Bismarckiaans stelsel er nog goed bij, dankzij het pragmatisme van onze op Hawaii gestationeerde officieren – vijf tijdzones verwijderd van de ideologische broeikas Washington D.C. In feite vertegenwoordigt PACOM een veel zuiverder versie van de bovenbouw van Bismarcks keizerrijk dan alles wat de regering-Bush voorafgaand aan de inval in Irak tot stand heeft gebracht. Zoals Henry Kissinger schreef in Diplomacy (1994) smeedde Bismarck, vrij van ideologische belemmeringen, vanuit een ogenschijnlijk geïsoleerd punt allianties in alle richtingen. Hij bracht Midden-Europa vrede en voorspoed, doordat hij inzag dat wanneer machtsverhoudingen correct zijn afgestemd, oorlogen doorgaans kunnen worden vermeden.

Slechts met een vergelijkbaar pragmatische aanpak zullen wij ons kunnen instellen op de onvermijdelijke wederopstanding van China als grote mogendheid. Anders wordt de aarde in de 21ste eeuw een slagveld. Steeds wanneer grote mogendheden (opnieuw) ten tonele verschijnen – zoals, om maar twee voorbeelden te noemen, Duitsland en Japan in de eerste decennia van de 20ste eeuw – zijn zij geneigd om bijzonder assertief op te treden, waardoor zij de internationale situatie hevig in beroering brengen.

China zal daarop geen uitzondering zijn. Op dit moment investeren de Chinezen in zowel diesel- als kernonderzeeërs – een duidelijk teken dat zij van zins zijn om niet alleen de zone voor hun kust te beschermen, maar ook hun invloedssfeer uit te breiden tot ver in de Grote Oceaan en daar voorbij.

Dat is volstrekt legitiem. De Chinese leiders mogen dan geen democraten zijn in de eigenlijke zin, zij streven wel voor velen van hun 1,3 miljard onderdanen naar een bevrijde levenswijze in westerse trant, en dat vereist beveiliging van de zeeroutes waarlangs de benodigde brandstoffen vanuit het Midden-Oosten en elders moeten worden aangevoerd.

Uiteraard vertrouwen zij er niet op dat de Verenigde Staten en India dat wel voor hen zullen doen. Gezien wat er op het spel staat, en gezien wat de geschiedenis ons leert over de conflicten die zich voordoen wanneer ettelijke grote mogendheden hun legitieme belangen nastreven, zal een en ander waarschijnlijk leiden tot het beslissende militaire conflict van de 21ste eeuw: zo niet een grote oorlog tegen China, dan toch een reeks patstellingen zoals in de Koude Oorlog die jaren of tientallen jaren aanhouden. En dat zal zich voornamelijk afspelen onder de verantwoordelijkheid van PACOM.

Om hun werk goed te doen, moeten officieren de macht zo behoedzaam, mechanisch en pragmatisch mogelijk benaderen, en de regionale machtsevenwichten telkens opnieuw evalueren, terwijl zij de waardenzijde van de politieke vergelijking overlaten aan de burgerbestuurders. Daarom laten, van alle vakmensen in overheidsdienst, legerofficieren zich het minst afleiden door de bekoringen van het democratische internationalisme en het neoconservatieve interventionisme.

De geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog illustreert hoe belangrijk die benadering is. In de jaren dertig van de 20ste eeuw pleitten de Amerikaanse strijdkrachten, nerveus geworden door de groeiende kracht van Duitsland en Japan, terecht voor versterking van onze troepen. In 1940 en 1941 waarschuwde de krijgsmacht – ongeveer zoals de Duitse generale staf een paar jaar eerder had gedaan – met vooruitziende blik voor een oorlog op twee fronten, en in de nazomer van 1944 had hij minder aandacht moeten schenken aan de strijd tegen Duitsland en meer aan het indammen van de Sovjet-Unie. Op dit moment maken luchtmacht- en marine-officieren zich zorgen over een eventuele onafhankelijksverklaring van Taiwan, want die zou de Verenigde Staten in een oorlog met China storten die mogelijk niet in ons nationale belang zou zijn.

Indonesië is nóg een voorbeeld: de Indonesische krijgsmacht mag dan op het gebied van de mensenrechten een matige staat van dienst hebben, PACOM gaat er terecht van uit dat afstandelijkheid in dezen alleen maar de deur open zou zetten voor Chinees-Indonesische samenwerking, en dat in een regio die de toekomst van het wereldterrorisme in zich bergt. (De reactie van de VS op de tsunami in Azië was uiteraard een humanitaire zaak, maar de PACOM-strategen hadden moeten inzien dat een krachtige reactie politieke steun zou opleveren voor rechten om militaire bases te vestigen die een onderdeel zullen vormen van onze afschrikkingsstrategie tegen China.) Of neem Korea: een aantal in de Grote Oceaan gestationeerde officieren gaat ervan uit dat het schiereiland wordt herenigd. Hun voornaamste zorg is of het land dan wordt `gefinlandiseerd' door China of dat het veilig binnen een AmerikaansJapanse invloedssfeer komt.

[Vervolg CHINA: pagina 16]

CHINA

De Amerikaanse marine en de NAVO moeten China in bedwang houden

[vervolg van pagina 15]

De centrale positie van PACOM in de Aziatische machtsdynamiek geeft het een ongewoon groot diplomatiek gewicht, en daardoor ook meer invloed in Washington. En PACOM zal veel minder dan CENTCOM last hebben van het Washingtonse binnenlandse beleid. Ons optreden in de Grote Oceaan zal niet worden gestuurd door zoiets als de Israël-lobby, en protestantse evangelischen zullen zich minder druk maken over de zoom van de Grote Oceaan dan over het lot van het Heilige Land. En omdat een verkeerde taxatie van het machtsevenwicht in Oost-Azië gigantische economische gevolgen zou hebben, ziet het ernaar uit dat de Amerikaanse commerciële en militaire belangengroepen eensgezind zullen afkoersen op een klassiek-conservatief beleid van afschrikking jegens China zonder dat land noodzakelijkerwijs te provoceren, waarmee zij PACOM's gezag zullen vergroten. Onze houding ten aanzien van China en het Grote Oceaangebied heeft dus een ingebouwde stabiliteit, wat opnieuw extra aannemelijk maakt dat er een nieuwe Koude Oorlog komt, die zeer lang kan aanhouden.

De relatieve verschuiving van de aandacht van het Midden-Oosten naar de Grote Oceaan in de komende jaren zal – los van idealistische retoriek – de volgende Amerikaanse president, van welke partij hij of zij ook is, dwingen een buitenlands beleid te voeren dat lijkt op dat van gematigde Republikeinse presidenten als George H.W. Bush, Gerald Ford en Richard Nixon. Risicomanagement wordt een dominante ideologie. Zelfs als Irak uiteindelijk een democratisch succes wordt, wordt het wel een succes dat voor de poorten van de hel is weggesleept, wat niemand in het militaire of diplomatieke establishment ooit nóg eens zal willen meemaken – zeker niet in Azië, waar de economische repercussies van een rommelig militair avontuur gigantisch zouden zijn. ,,In oorlog raken met China is makkelijk genoeg'', zegt Michael Vickers, een voormalige commando die in de jaren tachtig voor de CIA de wapensstrategie voor het Afghaanse verzet heeft ontwikkeld en die nu werkt bij het Centrum voor Strategische en Begrotingsramingen in Washington. ,,Er zijn een hoop scenario's denkbaar, niet alleen maar Taiwan – vooral omdat de Chinezen in heel de Grote Oceaan een onderzeeër- en rakettenpotentieel opbouwen. Maar de grote vraag is: hoe maak je een einde aan een oorlog met China?''

Net als de landen die betrokken waren in de Eerste Wereldoorlog, en in tegenstelling tot de schurkenstaten waardoor iedereen steeds zo geobsedeerd is, zouden de Verenigde Staten en China in de 21ste eeuw het vermogen hebben om de strijd voort te zetten, ook als de ene of de andere partij eens een grote slag of een confrontatie met raketten verloor. Dat heeft verstrekkende implicaties. ,,Om een einde te maken aan een oorlog met China'', zegt Vickers, ,,zou je misschien op een of andere manier het regime moeten vervangen, want je moet natuurlijk geen gewond, kwaad regime aan de macht laten.'' Een andere analist, van binnen het Pentagon, zei me: ,,Om een einde te maken aan een oorlog met China, zouden wij hun militaire slagkracht substantieel moeten aantasten, waardoor wij hun energievoorziening en de greep van de Communistische Partij op de macht zouden bedreigen. Daarna zal de wereld niet meer hetzelfde zijn. Het is een heel gevaarlijke weg.''

De betere weg is dat PACOM China op Bismarckiaanse wijze afschrikt vanuit een betrekkelijk geïsoleerd geografisch centrum – Hawaii – vanwaaruit spaken reiken naar belangrijke bondgenoten als Japan, Zuid-Korea, Thailand, Singapore, Australië, Nieuw-Zeeland en India. Die landen zouden op hun beurt weer secundaire centra worden, die ons zouden helpen onder meer Melanesië, Micronesië, Polynesië en de Indische Oceaan te beheren. Het doel van dat stelsel zou zijn om China zo subtiel tegenwicht te bieden dat de opkomende kolos mettertijd zonder groot onheil het stelsel van allianties rond PACOM wordt binnengeloodst – net zoals de NAVO uiteindelijk de Sovjet-Unie heeft weten te neutraliseren.

Wat wij ook zeggen of doen, China zal de komende decennia steeds meer geld steken in zijn krijgsmacht. Het beste wat wij kunnen doen is misschien te stimuleren dat het defensieve in plaats van offensieve investeringen doet. Ons optreden zal zeer zorgvuldig moeten zijn, want anders dan de oude Sovjet-Unie (of trouwens ook het huidige Rusland) beschikt China niet alleen over harde maar ook over zachte macht. Zakenlui lopen wég met China; je hoeft ze niet, zoals in Afrika en zoveel andere oorden, te smeken om er te investeren. De Chinese mengeling van een traditioneel autoritair bestel met een markteconomie spreekt in heel Azië en elders in de wereld velen aan. En omdat China het materiële welzijn van honderden miljoenen van zijn burgers verbetert, spreekt het akelige lot van zijn dissidenten minder aan dan dat van de Sacharovs en de Sjtsjaranski's uit de Sovjet-Unie.

Op dit ogenblik lijkt de opkomst van China misschien geen noemenswaardige problemen te veroorzaken. De Amerikaanse oorlogsschepen hebben een gezamenlijke waterverplaatsing van 2,86 miljoen ton; de oorlogsschepen van de rest van de wereld bij elkaar komen op niet meer dan 3,04 miljoen ton. De oorlogsschepen van de Chinese marine hebben een gezamenlijke waterverplaatsing van niet meer dan 263.064 ton. De Verenigde Staten hebben 24 van de 34 vliegdekschepen ter wereld in de vaart, de Chinezen niet één; dat is een belangrijke reden waarom zij na de tsunami geen hulp konden bieden. De rest van de cijfers is net zo. Maar Robert Work, een hooggeplaatste analist van het Centrum voor Strategische en Begrotingsramingen, wijst erop dat bij het begin van de 27 jaar durende Peloponnesische Oorlog Athene sterk in het voordeel was tegenover Sparta, dat geen marine had – maar Sparta won de oorlog ten slotte wel.

China heeft grote plannen voor militaire uitgaven, maar het zal nog tientallen jaren duren voordat zijn marine en luchtmacht zich kunnen meten met die van ons. De Chinezen zullen ons dus niet het genoegen doen om conventionele lucht- en zeegevechten aan te gaan. In plaats daarvan zullen zij ons, net als terroristen, asymmetrisch benaderen. In Irak hebben de oproerlingen ons met hun autobommen asymmetrie op het laagste niveau laten zien, maar de Chinezen staan klaar om ons op dat gebied hoogstandjes te tonen. Daarin schuilt het gevaar.

Op tal van manieren zouden de Chinezen hun minder geavanceerde krijgsmacht kunnen gebruiken om een zekere politiek-strategische gelijkwaardigheid met ons te bereiken. Volgens een voormalige commandant van een onderzeeër en marinestrateeg met wie ik gesproken heb, hebben de Chinezen zich grondig verdiept in alle details van onze recente oorlogen op de Balkan en in de Perzische Golf, en begrijpen zij volkomen hoezeer onze militaire macht afhankelijk is van de mate waarin een vliegdekschip met begeleidend eskader in de buurt kan komen van bijvoorbeeld Irak, om een projectiel af te vuren op een doel diep in het land. In reactie daarop leggen de Chinezen hun glasvezelverbindingen aan onder de grond en verplaatsen zij hun defensiecomplexen naar diep in het westelijke binnenland, buiten het bereik van scheepsraketten. Intussen werken zij aan een aanvalsstrategie op basis van raketten die in staat zouden moeten zijn om het opperste icoon van Amerikaanse rijkdom en macht, het vliegdekschip, te treffen. Het effect van ook maar één Chinese kruisraket die een Amerikaans vliegdekschip raakt, zelfs al wordt het schip niet tot zinken gebracht, zou politiek en psychologisch catastrofaal zijn, vergelijkbaar met de aanslagen van Al-Qaeda op de Twin Towers.

Met een geavanceerd rakettenprogramma zouden de Chinezen honderden projectielen op Taiwan kunnen afvuren, voordat wij het eiland kunnen bereiken om het te verdedigen. Die slagkracht, gecombineerd met een nieuwe vloot onderzeeërs – die weldra een grotere onderzeese macht zullen vormen dan die van ons, zo niet in kwaliteit dan toch in omvang – zou voor de Chinezen voldoende kunnen zijn om andere landen te dwingen hun havens te sluiten voor Amerikaanse schepen. De meeste van de zeventig onderzeeërs waarover China nu beschikt, zijn verouderde diesels van Russische origine, maar die vaartuigen zouden kunnen worden ingezet om mobiele mijnenvelden te leggen in de Zuid-Chinese Zee, de Oost-Chinese Zee en de Gele Zee, waar, zoals David League van de Wall Street Journal heeft geschreven, ,,diepteverschillen, hevig achtergrondlawaai, sterke stromingen en wisselende temperatuurlagen'' het erg moeilijk zouden maken om de onderzeeërs op te sporen. Voeg daarbij de zeventien nieuwe stealth (`heimelijke') dieselonderzeeërs en de drie kernonderzeeërs die de Chinese marine tegen het einde van dit decennium in de vaart zal brengen, en je kunt je voorstellen dat China ons, of een van onze Aziatische bondgenoten, een pijnlijke slag zou kunnen toebrengen. Daarnaast is er een heel scala van middelen om op dubbelzinnige wijze druk uit te oefenen – bijvoorbeeld een reeks niet traceerbare cyberaanslagen op het Taiwanese elektriciteitsnet, om de bevolking geleidelijk te demoraliseren. Dit is geen sciencefiction: de Chinezen hebben veel geld gestoken in de opleiding en de technische middelen voor cyberoorlogvoering. Dat de Chinezen zelf niet democratisch zijn, wil niet zeggen dat zij niet heel bekwaam democratische kiezers psychologisch zouden kunnen manipuleren.

Wat wij in de nabije toekomst waarschijnlijk van China kunnen verwachten, zijn specifieke demonstraties van zijn kunnen, zoals toen het in het voorjaar van 2001 met succes een EP-3E verkenningsvliegtuig van de Amerikaanse marine tot landen dwong. Zulk tactisch optreden zou weleens veel karakteristieker kunnen zijn voor de oorlogvoering van de 21ste eeuw dan alles wat er op dit moment gebeurt in Irak. Dat de wereldmedia eerder de kant kiezen van een underdog dan die van een regerende supermacht, zou de Chinezen vanzelf een politiek voordeel geven.

Hoe moeten wij militair op zulke ontwikkelingen reageren? Wij moeten onconventioneler te werk gaan. Onze huidige marine is een strijdmacht voor de volle zee; ze houdt in vredestijd toezicht op reusachtige stukken oceaan. Dat is geen geringe prestatie, die bovendien een groot deel van de vrije handel in de wereld mogelijk maakt. Zonder Amerikaanse schepen en zeelieden zou de globalisatie niet mogelijk zijn. Maar wat wij steeds meer nodig zullen hebben is drie afzonderlijke marines: één waardoor wij de zee kunnen blijven gebruiken als platform voor bombardementen (ter ondersteuning van operaties als in Irak en Afghanistan), één voor speciale kustoperaties (bijvoorbeeld tegen terroristische groepen in en rond Indonesië, Maleisië en de zuidelijke Filippijnen), en één om onze stealth-capaciteiten te vergroten (onder meer voor patrouilles langs het Chinese vasteland en in de Straat van Formosa).

Elk van die drie marines zal een rol krijgen in de afweer tegen China, zowel direct als indirect, gezien alle chaotische eilandrepublieken in de Grote Oceaan die de banden met Peking aanhalen.

Onze vliegdekschepen bieden nu al wat wij nodig hebben voor de eerste marine; de andere twee moeten we nog ontwikkelen. De ontwikkeling van het derde type marine zal ingrijpende veranderingen vergen. Vooral nu de media steeds opdringeriger worden, moeten wij meer stealth verwerven, om bijvoorbeeld vanuit een onderzeeër commando's aan land te kunnen zetten om terroristen te ontvoeren of te doden, of specialisten achter te laten om taken uit te voeren in een gebied waarop geen regering vat heeft. Onderzeeërs hebben uiteraard ook nadelen: als platform voor beschietingen bieden zij minder mogelijkheden dan vliegdekschepen, en ze zijn per gewichtseenheid duurder. Toch hebben zij de toekomst, en wel vooral omdat het beschermen van vliegdekschepen tegen raketaanvallen op den duur misschien niet meer lonend zal zijn.

Onze stealth-marine zou het best gediend zijn met versterking in de vorm van nieuwe dieselonderzeeërs van het soort dat Australië, Japan, Zuid-Korea, Duitsland en Zweden al in de vaart of in ontwikkeling hebben – en dat ook China weldra zal bezitten. Maar wegens onze verantwoordelijkheid als wereldwijd toezichthouder, die vereist dat wij met kernonderzeeërs blijven werken, zit het er niet in dat wij overstappen op dieselonderzeeërs. In plaats daarvan zullen wij aanpassen wat we hebben.

Dit alles neemt uiteraard niet weg dat de toegang tot bases in het Grote Oceaangebied noodzakelijk blijft. Over hoe meer bases wij kunnen beschikken, des te meer flexibiliteit zullen wij hebben – om onbemande vluchten te ondersteunen, bijtanken in de lucht mogelijk te maken en, misschien wel het allerbelangrijkst, de Chinese krijgsmacht te dwingen zich bezig te houden met een hele massa problemen in plaats van met maar een paar problemen. Zorg dat je tegenstander nooit maar een paar problemen hoeft op te lossen – een vliegdekschip opsporen en raken, bijvoorbeeld – want dan lost hij ze op.

De luchtmachtbasis Andersen, op de noordpunt van Guam, belichaamt de toekomst van de Amerikaanse strategie in het Grote Oceaangebied. Het is het krachtigste platform dat de Verenigde Staten waar ook ter wereld hebben als centrum van militaire operaties. Geen andere luchtmachtbasis in de Grote Oceaan heeft zo'n wapenvoorraad als Andersen: er liggen altijd zo'n honderdduizend bommen en projectielen opgeslagen. Op Andersen ligt ook 250 miljoen liter vliegtuigbrandstof, en daarmee is het het grootste strategische luchtmachttankstation ter wereld.

De ligging van Guam, dat ook een groeiende marinebasis is, en de thuishaven van een eskader onderzeeërs, is veelzeggend. Vanaf dit eiland bestrijkt het luchtmachtequivalent van een marine- of legerdivisie bijna het hele PACOM-domein. ,,Dit is niet te vergelijken met Okinawa'', zei generaal-majoor Dennis Larsen, tijdens mijn bezoek aan de basis de bevelhebber van de luchtmacht ter plaatse. ,,Dit is Amerikaans territorium middenin de Grote Oceaan. Guam is Amerikaanse grond.'' De Verenigde Staten kunnen er doen wat ze willen, en ze steken er reusachtige bedragen in zonder bang te hoeven zijn dat de huur wordt opgezegd. Dit kleine eiland, niet ver van China, kan de naaf worden in het wiel van een nieuwe, wereldomspannende constellatie van bases, die het zwaartepunt van de Amerikaanse macht zal verleggen van Europa naar Azië.

Als wij ten tijde van een conflict rond Taiwan een battle group met vliegdekschepen hebben op Guam, hebben de Chinezen de keus om die in de haven aan te vallen – waarmee zij soeverein Amerikaans grondgebied zouden schenden, wat hen in de ogen van de wereld onmiddellijk tot agressors zou bestempelen – of hem te laten uitvaren. In dat laatste geval zou het smaldeel twee dagen later voor de kust van Taiwan kunnen verschijnen.

Tijdens de Koude Oorlog had de marine een bepaalde infrastructuur voor een bepaald gevaar: oorlog met de Sovjet-Unie. Maar nu is het gevaar veelsoortig en onvoorspelbaar: wij moeten op ieder moment gereed zijn om bijvoorbeeld een conventionele oorlog te voeren tegen Noord-Korea, of een onconventionele strijd tegen een eilandstaat die met Chinese steun amok maakt. Dat eist een grotere flexibiliteit van de marine-eenheden op het eiland, en dat betekent weer dat bepaalde diensten worden uitbesteed aan de burgergemeenschap op Guam, waardoor de marine zich op militaire zaken kan concentreren.

Dit alles zou een probleem kunnen opleveren. Door Guam te maken tot het Hawaii van de westelijke Grote Oceaan, maken wij het leven eenvoudig voor de Chinezen, want zij hoeven maar één probleem op te lossen: hoe bedreigen of intimideren wij Guam? Ons antwoord moet zijn: spreiding in plaats van concentratie. Dus hoe zorgen wij dat Guam niet te groot wordt?

Dat kan op een aantal manieren. Wij kunnen Palau uitbreiden – een archipel met 20.000 inwoners tussen Mindanao (op de Filippijnen) en de Federale Staten van Micronesië, die voor hun financiële steun afhankelijk zijn van een defensieovereenkomst met ons. Wij onderhouden onze bases in Centraal-Azië, dicht bij het westen van China; hiertoe behoren Karsji-Chanabad in Oezbekistan en Manas in Kirgizië, die zijn ontwikkeld en uitgebreid ten behoeve van de invasie in Afghanistan. Ook zullen wij zogenoemde coöperatieve veiligheidslocaties (CSL's) inrichten.

Een coöperatieve veiligheidslocatie kan een onopvallend hoekje zijn van een burgerluchthaven in een gastland, of een onverharde landingsbaan met brandstof en technische hulp in de buurt, of een militair vliegveld in een bevriend land waarmee wij geen officiële afspraak over bases hebben, maar wel een officieuze overeenkomst, waarbij particuliere aannemers als intermediair optreden. Omdat het concept van de CSL's het moet hebben van subtiele relaties, is dit het punt waarop de oorlogvoerende kwaliteiten van het Pentagon en de diplomatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken elkaar dekken – in theorie althans. Het probleem met grote luchtmachtbases zoals in Turkije is – zoals wij aan de vooravond van de invasie in Irak hebben gemerkt – dat dat in het oog lopende, intimiderende symbolen van de Amerikaanse macht zijn, en het enige wat een gastland dan nog kan doen is ons het gebruik van zulke bases te ontzeggen. Daarom hebben wij in de toekomst liever discrete bases, die ogenschijnlijk voor het gastland veel belangrijker zijn dan voor ons. Een land dat ons het gebruik van zo'n basis toestaat, zou daarmee zijn macht vergroten in plaats van zich te vernederen.

Het eerste deel van de 21ste eeuw wordt lang niet zo stabiel als de tweede helft van de 20ste, omdat de wereld lang niet zo bipolair zal zijn als tijdens de Koude Oorlog. De strijd tussen Peking en Washington om de Grote Oceaan zal niet de hele wereldpolitiek beheersen, maar hij wordt de belangrijkste van diverse regionale krachtmetingen. Hij wordt het toonaangevende hart van het Amerikaanse defensiebeleid in het buitenland. Als wij slim zijn, zou dat onze eendracht met Europa moeten herstellen. Hoe vaardig onze krijgsmacht zich ook instelt op de opkomst van China, onze huidige overheersende positie in het Grote Oceaangebied is duidelijk niet houdbaar. De Azië-kenner Mark Helprin heeft betoogd dat terwijl wij het Midden-Oosten proberen te democratiseren – waarbij wij steeds meer vooral optrekken met de landen waarvan het binnenlandse bestel op het onze lijkt – China klaar staat om de aanzienlijke vruchten te plukken van de belangen die het op amorele wijze heeft nagestreefd – zoals de Verenigde Staten tijdens de Koude Oorlog hebben gedaan. Zo hopen de Chinezen bijvoorbeeld ongetwijfeld dat onze koele houding jegens de wrede Oezbeekse dictator Islam Karimov nog verder zal verkoelen; dat zou mogelijkheden scheppen om met hem meer overeenkomsten te sluiten over pijpleidingen en andere zaken, en het zou hem ertoe kunnen brengen ons het gebruik van de luchtmachtbasis Karsji-Chanabad te ontzeggen. Als Karimov door een opstand als die in Kirgizië ten val zou komen, zouden wij het nieuwe regime onmiddellijk moeten stabiliseren, anders zouden delen van het land in de Chinese invloedssfeer kunnen belanden.

Wij dienen ook te beseffen dat in de komende jaren en decennia de morele afstand tussen Europa en China sterk zal afnemen, vooral als het Chinese autoritaire bestel milder wordt en de almaar uitdijende Europese Unie een niet zo heel democratische superstaat wordt, die op aanmatigende toon door Brusselse functionarissen wordt bestierd. Ook Rusland vaart onmiskenbaar een ondemocratische koers: de Russische president Vladimir Poetin reageerde op onze steun aan de democratie in Oekraïne met het besluit om in de tweede helft van dit jaar samen met de Chinezen ,,grootscheepse'' manoeuvres ter zee en in de lucht te houden. Deze ongekende gezamenlijke Russisch-Chinese manoeuvres zullen plaatsvinden op Chinees grondgebied.

Het is dan ook een illusie dat wij voortaan niet meer meedoen aan het `cynische' spel van de machtspolitiek, net als dat wij een buitenlands beleid zouden kunnen voeren uitsluitend op basis van de idealen van president Wilson. Wij zullen voortdurend diverse delen van de wereld moeten uitspelen tegen China, precies zoals Richard Nixon moreel niet helemaal zuivere landen uitspeelde tegen de Sovjet-Unie. Dit zou kunnen leiden tot een fundamenteel nieuw NAVO-bondgenootschap, dat een mondiale armada zou kunnen worden op de zeven zeeën. De Nederlanders, de Noren, de Duitsers en de Spanjaarden investeren dan ook fors in snelle, met raketten bewapende schepen en in landing-platform docks voor offensieve landingen op stranden, en de Britten en de Fransen steken geld in nieuwe vliegdekschepen.

Omdat Europa meer en meer conflicten probeert te vermijden en zijn best doet om de geopolitiek te reduceren tot een reeks onderhandelingen en discussies over regels, zou nadruk op macht ter zee het best gelegen komen. Macht ter zee is van nature minder bedreigend dan legers. Macht ter zee maakt grote operaties mogelijk zonder een grote troepenmacht op het land. Denk maar aan de tsunamihulp, toen de mariniers en de zeelui iedere avond naar hun vliegdekschip en hun torpedobootjagers terugkeerden. Een leger voert een invasie uit; de marine doet een haven aan. Macht ter zee is altijd een nuttiger instrument voor Realpolitik geweest dan legers. Macht ter zee biedt de mogelijkheid om een forse troepenmacht gereed te houden in gebieden ver van de landen zelf, zonder een opvallend oorlogszuchtige indruk te maken. Omdat het zo lang duurt voordat schepen ergens kunnen komen, en omdat ze minder bedreigend zijn dan troepen op de grond, biedt macht ter zee diplomaten de gelegenheid om in een crisis op een verantwoorde – en omkeerbare – manier de druk op te voeren. Een voorbeeld is de Cubaanse rakettencrisis uit 1962. De Britse expert H.P. Willmott heeft daarover geschreven: ,,De inzet van zeestrijdkrachten was voor de Amerikanen de minst gevaarlijke optie, en de traagheid waarmee de gebeurtenissen zich op zee voltrokken gaf beide partijen de tijd om een rationale reactie op een uiterst gevaarlijke situatie te bedenken en ten uitvoer te brengen.''

Onderzeeërs zijn de uitzondering op die regel, maar juist doordat zij zowel letterlijk als figuurlijk onder het oppervlak kunnen opereren, volkomen buiten het zicht van de media, stellen zij een regering in staat om met name op spionagegebied militair agressief op te treden zonder de burgers voor het hoofd te stoten. De neutraliteit van Zweden is een moeizaam verworven luxe, die berust op een macht ter zee waarvan veel van zijn idealistische inwoners zich misschien niet helemaal bewust zijn. Het pacifistische Japan, de handelsnatie par excellence, is meer en meer afhankelijk van zijn groeiende contingent onderzeeërs. Macht ter zee beschermt de handel, die door verdragen wordt geregeld. Het is geen toeval dat Hugo de Groot, de vader van het internationaal recht, een 17de-eeuwse Nederlander was, die leefde op het toppunt van de Nederlandse macht ter zee in heel de wereld.

Als gevolg van de globalisering wordt de 21ste eeuw een tijdperk van ongekend scheepvaartverkeer, dat ongekende regulering door zowel diplomaten als marine-officieren vereist.

Naarmate de economische invloed van de Europese Unie zich verder over de aardbol uitbreidt, zou Europa wel eens kunnen ontdekken, zoals de Verenigde Staten dat in de 19de eeuw hebben gedaan en de Chinezen op dit moment, dat het de zee op moet om zijn belangen te beschermen.

De zee zou de NAVO en Europa wel eens de beste mogelijkheid op een ware militaire toekomst kunnen bieden. En dat terwijl de alliantie op dit moment letterlijk en figuurlijk zeer zwak is. Om weer van politiek belang te zijn, moet de NAVO worden omgebouwd tot een militaire alliantie die er geen twijfel over laat bestaan dat zij elk moment bereid is om te vechten en te doden. Dat was haar reputatie gedurende de Koude Oorlog en de Russen hebben dat begrepen aangezien zij nooit tot de aanval zijn overgegaan.

We moeten de NAVO redden. En laat me nog even wat duidelijker zijn over een kwestie waar de meeste beleidsmakers en experts niet duidelijk over willen zijn. De NAVO en een autonome Europese defensiemacht kunnen niet beide blijven bestaan. Slechts de eerste moet blijven voortbestaan, zodat Europa, wanneer het op een confrontatie met China zal aankomen, voor ons een militaire aanwinst is en geen sta-in-de-weg.

Correspondent voor The Atlantic Monthly en schrijver van meerdere reisverslagen en boeken waaronder Balkan Ghosts (1993), The Ends of the Earth (1996) en The Coming Anarchy (2000). Hij is senior fellow bij de New America Foundation.