Wat wil de mens?

Mensen doen iets omdat ze het zelf willen óf onder druk van anderen. Dat klassieke onderscheid tussen twee soorten motivatie is onzin, aldus Steven Reiss.

MENSEN KUNNEN iets om twee redenen doen, zeggen veel psychologen: omdat ze het zelf écht willen, of omdat er iets in de wereld is dat hen ertoe drijft (ze krijgen er geld voor, hun baas verwacht het van hen, ze vinden dat het hoort). In het eerste geval is er sprake van intrinsieke motivatie, in het tweede geval van extrinsieke motivatie. In sociaal-psychologisch onderzoek worden deze termen nu ruim dertig jaar gebruikt. Het onderscheid lijkt gevestigd: er is veel onderzoek naar gedaan, intuïtief spreekt het aan. Toch staan de begrippen regelmatig ter discussie, een discussie die nu weer aangewakkerd is door psycholoog Steven Reiss van Ohio State University. Hij publiceerde zijn kritiek in het meinummer van Behavior Analyst.

Het artikel wekt de indruk alsof Reiss zich flink miskend voelt. Hij citeert zijn eigen artikelen vaak op een toon alsof hij het over een belangrijke onderzoeker heeft die ten onrechte is genegeerd, en aan het eind van het artikel roept hij collega's op `die gefrustreerd zijn door het gebrek aan voortgang in hun onderzoek' om met zijn eigen motivatiemodel en vragenlijst, de `Reiss Profile', aan de gang te gaan. Het heeft allemaal iets gelijkhebberigs. Maar ook vakgenoot Roos Vonk, hoogleraar sociale psychologie aan de Radboud Univeristeit Nijmegen en personal coach, vindt dat er inderdaad wel wat af te dingen valt op het simpele onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie – al is ze het ook weer niet volledig met Reiss eens. Vonk doet onder meer onderzoek naar motivatie en autonomie.

beloning

Het klassieke onderzoek waaruit de termen intrinsieke en extrinsieke motivatie voortkomen, werd in 1973 gepubliceerd. Psychologen lieten kinderen in de leeftijd van drie tot vijf jaar met kleurpotloden spelen. Sommige kinderen kregen te horen dat ze een beloning zouden krijgen als ze dat deden. Andere kinderen werd niets verteld; die kregen onverwacht een beloning. Een laatste groep werd ook niets verteld en kreeg geen beloning. Het bleek dat de kinderen in de eerste groep na afloop van het onderzoek hun belangstelling voor de kleurpotloden het snelst verloren. Dat werd verklaard door aan te nemen dat die kinderen dáchten dat ze met de kleurpotloden speelden omdat ze een beloning verwachtten (in die tijd vroegen psychologen zich nog niet af of het hier een bewuste gedachte betrof, maar waarschijnlijk is het meer een impliciet gevoel). De intrinsieke motivatie van deze kinderen was daarmee ondermijnd: ze waren extrinsiek gemotiveerd geraakt, zonder die beloning hoefde het niet meer zo nodig. De andere twee groepen kinderen waren en bleven intrinsiek gemotiveerd, volgens de onderzoekers: die kinderen speelden met de kleurpotloden omdat ze dat zelf leuk vonden.

Maar volgens Reiss hebben psychologen deze resultaten niet altijd kunnen repliceren en hebben ze de uitkomsten van hun onderzoek vaak toch naar zich toegeredeneerd. Als kinderen bijvoorbeeld een beloning kregen om naar een liedje te luisteren, en ze luisterden daarna nog enthousiast door, zeiden de onderzoekers dat ze waarschijnlijk nóg een beloning verwachten, terwijl er dan evenveel reden zou zijn om te aan te nemen dat die kinderen `gewoon' intrinsiek gemotiveerd waren. Als het effect van beloningen wel optreedt, zegt Reiss, dan komt dat misschien wel doordat mensen faalangstig kunnen worden met een beloning in het vooruitzicht, of doordat ze zich schamen of schuldig voelen dat ze voor iets leuks beloond worden.

Een ander kritiekpunt van Reiss is dat het onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie niet goed gedefinieerd zou zijn. Volgens één definitie komt intrinsieke motivatie van binnenuit en extrinsieke motivatie van buitenaf. Maar nieuwsgierigheid – wat beschouwd wordt als typisch intrinsiek – kan bijvoorbeeld ook door de omgeving opgeroepen worden, zegt Reiss, want mensen die zich in saaie omstandigheden bevinden gaan vanzelf op onderzoek uit. En volgens een andere definitie is intrinsiek gemotiveerd gedrag een doel op zich, terwijl extrinsiek gemotiveerd gedrag een middel is om iets anders te bereiken – geld bijvoorbeeld, of aanzien. Maar ook die definitie houdt volgens Reiss geen stand. Een middel kan volgens hem nooit in competitie zijn met een doel: middelen faciliteren doelen immers, en iemand kan ook best `intrinsiek' gemotiveerd zijn om geld te verdienen.

Vonk is het met hem eens dat deze beide definities niet sluitend zijn. ``Er bestaat een schemergebied; je kunt bijvoorbeeld ook dingen voor een ander doen omdat je dat zelf wilt, omdat je het leuk vindt om iets voor diegene te doen. Het idee is dat veel gedrag in eerste instantie van buitenaf aangestuurd wordt. Als kind doe je bepaalde dingen omdat het moet, en vervolgens wordt het intrinsiek. Je leert bijvoorbeeld dat poep vies ruikt en dat je niet mag stinken. Als kind vind je dat zelf niet erg, het is een norm die van buitenaf wordt opgelegd. Als volwassene heb je die norm geïnternaliseerd.''

wandelen

Een derde definitie die Reiss aanhaalt, zegt dat intrinsiek gemotiveerd gedrag prettig is om het gedrag zelf, omdat het leuk is om te doen. Zijn bezwaar daartegen is dat hetzelfde gedrag de ene keer leuk kan zijn en de andere keer niet. Wandelen is bijvoorbeeld alleen leuk als iemand niet moe is; als het altijd leuk was, zouden mensen blijven doorwandelen tot ze omvielen van uitputting, zegt Reiss. Vonk vindt dit onzin: ``Je kunt best de ene keer intrinsiek gemotiveerd zijn om bepaald gedrag te vertonen en de andere keer niet. Belangrijker vind ik dat intrinsiek gemotiveerd gedrag, dat mensen vertonen omdat ze het prettig vinden, niet per definitie goed is. Gedrag dat alleen maar lekker is, kan ook heel dwangmatig zijn, bijvoorbeeld roken. Niet alles wat intrinsiek is, is heilig.''

Zulk dwangmatig gedrag is, net als extrinsiek gemotiveerd gedrag, niet `vrij', zegt Vonk. ``Dat vind ik een veel interessanter onderscheid dan intrinsiek en extrinsiek: vrij en onvrij gedrag, `ik wil' tegenover `ik moet'. In mijn praktijk als coach zie ik dat mensen die, bijvoorbeeld in hun werk, vanuit onvrijheid handelen – ik moet meer geld verdienen, mezelf bewijzen, alles goed doen, door iedereen aardig gevonden worden, etcetera – eerder een burnout krijgen. Niet omdat ze zo hard werken, maar omdat ze niet vanuit hun hart dingen doen en omdat ze daar weerstand tegen opbouwen. Ik probeer die mensen van `moeten' naar `willen' te begeleiden, van onvrij naar vrij gedrag. Dat is een onderscheid waar ik wél wat aan heb. Niet alles wat mensen van binnenuit willen is vrij en autonoom, en sommige dingen die ze ten behoeve van een ander doen zijn dat juist weer wel.''

Reiss heeft een heel ander alternatief voor de begrippen intrinsieke en extrinsieke motivatie: een classificatie van zestien verschillende intrinsieke basismotieven (zie kader). Ze hebben voor verschillende mensen een verschillende prioriteit, intensiteit en optimaal bevredigingsniveau: sommige mensen hebben bijvoorbeeld meer behoefte aan sociaal contact dan andere. Verder zijn de behoeften volgens Reiss genetisch te onderscheiden, hebben ze een verschillende evolutionaire geschiedenis, komen ze ook bij andere dieren voor en kunnen ze elk een eigen type `goed gevoel' veroorzaken (bij `onafhankelijkheid' hoort een gevoel van vrijheid, bij `eer' een gevoel van trouw).

clusters

De motieven kunnen gemeten worden met een vragenlijst, de `Reiss Profile'. Reiss begon zijn onderzoek hiernaar met een lange lijst met elk motief dat hij maar kon bedenken, gebaseerd op ideeën en onderzoek uit allerlei bronnen. Hij haalde de overlappende items uit een eerste lijst van ruim 500 motieven, legde de resterende 328 voor aan verschillende steekproeven van proefpersonen (in totaal ruim 2.500 mensen tussen de 12 en 76 jaar), en vroeg hen hoe belangrijk elk van de motieven was voor hun gedrag. Vervolgens paste hij een statistische procedure (factoranalyse) toe om te zien welke clusters van items samen bepaalde motieven vertegenwoordigden. Hij kwam op 15 motieven, goed te meten met 128 vragen, waar hij zelf later nog `verzamelen' aan toevoegde, want die was hij vergeten.

Vonk moet daar een beetje om lachen. ``En jagen, had hij die wél? Weet je, zo'n indeling is heel arbitrair, als je nog vijf onderzoekers aan het werk zet, vinden die waarschijnlijk weer een andere lijst. Met natuurlijk wel wat overeenkomsten, bijvoorbeeld ongeveer hetzelfde in grovere categorieen. Het punt is, het verklaart niks. Het is een enneagram-achtig iets, het is heel leuk, maar je hebt zoveel van die classificaties en ik zou niet weten waarom de een beter is dan de ander.'' En sommige van Reiss' intrinsieke motieven zijn volgens Vonk duidelijk extrinsiek: ``Macht en status bijvoorbeeld. Als je iemand vraagt: wat wil je nou écht? – of als je mensen vraagt zich voor te stellen dat ze op hun sterfbed liggen en terugkijken op hun leven, dan is er niemand die zegt: nou, ik had wel wat meer status gewild. Maar goed, ik denk dat Reiss in de wereld van de trainers best kan scoren, met deze indeling. Misschien breekt er wel een periode aan dat mensen weer grotere typologieën willen, meer categorieën.''

Dat is Reiss nu juist een doorn in het oog, dat zijn collega's altijd over dat `grote' aantal beginnen. Hij benadrukt in zijn artikel expliciet dat zestien categorieën heus niet te veel is: neem scheikundigen, schrijft hij, die bestuderen maar liefst 115 basiselementen, en daar zegt toch ook niemand over dat dat te veel is om wetenschappelijk te bestuderen.