Vrijwel tot onbeweeglijkheid gedoemd

Wie dezer dagen in het statige 16e arrondissement van Parijs het Palais Galliera binnenstapt, heeft de indruk in een achttiende-eeuws kasteel terecht te komen. In de schaars verlichte ruimte lijkt een feest aan de gang waarbij schimmen op muiltjes voorbij schuifelen, in fabelachtige feestjurken en kostuums, een waaier in de hand.

Illusie natuurlijk. Hier, in dit in Italiaanse renaissancepaleis, waar alleen tijdelijke exposities worden getoond, is met meesterhand een sfeer geschapen waarbij de mode uit de achttiende eeuw tot zijn recht komt. `Mode in spiegelbeeld, Frankrijk en Holland in de tijd van de Verlichting' is een samenwerkingsproject van het Musée de la Mode de la Ville de Paris en het Haags Gemeentemuseum, waarbij topstukken uit beide collecties zijn samengevoegd om een beeld te geven van de Europese mode in de achttiende eeuw. Ook zijn er schilderijen, documenten, waaiers, hoeden en andere modeaccessoires te zien, waarvan sommige uit andere collecties en musea komen.

De Parijse mode is – hoe zou het ook anders – toonaangevend in de achttiende eeuw. Wie zich als vrouw van de wereld aan Europese vorstenhoven wilde vertonen, moest getooid zijn in de `robe à la franÇaise', een tot op de grond vallende jurk met een korte sleep, ingesnoerd bij de taille en wijd uitstaand met behulp van een hoepel, waarbij op de rug de stof in een aantal platte vouwen naar beneden hing.

Hoe ongemakkelijk de dames zich daarin voelden blijkt wel uit de beschrijving die Hella S. Haasse in De groten der aarde of Bentinck tegen Bentinck van de opera in Wenen geeft: ,,De gravinnen die vrijwel tot onbeweeglijkheid gedoemd waren in hun brokaten hoepelrokken krijgen door Willem Bentinck verversingen aangereikt.''

Handige zijdehandelaren uit Lyon wisten hun vorstelijke cliëntèle aan zich te binden door ieder jaar weer een ander motief tot de laatste mode te verklaren. Trouwjurken in een bepaalde soort en kleur zijde moest men drie jaar van te voren bestellen.

Door de anglomanie in de achttiende eeuw – de Engelse thee, de ruitersport en Engelse tuinarchitectuur veroverden Europa – werd ook de Engelse mode populair. Deze was meer gericht op draagcomfort dan de Franse. In Parijs ontwierp men de robe à l'anglaise, die strakker om het lichaam zat dankzij het ontbreken van de plooien op de rug beter draagbaar was en bovendien een smallere mouw had. Roesjes en andere verfijningen ontbraken niet: ,,Ik heb aan Mme Rosendael een robe à l'anglaise gestuurd, zoals ik die zelf draag op het moment, met linten en allerlei andere dingen die ik er zelf op heb aangebracht'', schrijft de Nederlandse adellijke femme de lettres Belle van Zuylen op 7 september 1767 aan haar Zwitserse bewonderaar Constant d'Hermenches.

De tentoonstelling toont naast elkaar modellen van Franse en van Engelse snit. Prachtig zijn de van oorsprong Engelse mantua's, vaak rijk geborduurde jurken die door middel van een tenen hoepelconstructie enorme, ovale afmetingen konden bereiken. Jonathan Swift schreef dat de dames ,,er gemakkelijk een minnaar van gemiddeld postuur in konden verbergen''.

Schilderijen uit enkele Nederlandse collecties tonen dat ook de elite van de Republiek der Nederlanden zich in de eeuw van de Verlichting richtte naar de Parijse mode, ondanks het feit dat het calvinisme – synoniem van eenvoud en behoudendheid – opriep de Franse exuberantie links te laten liggen. Een portret van de welgestelde en vooruitstrevende familie Roukens uit 1786, van de hand van Willem Joseph Laquy, toont mevrouw in een toen ook in Parijs en vogue zijnde hemelsblauw met zilverkleurige robe – met een grote blauwe strik onder haar corsage, hetgeen een typisch Nederlands accent was. De heer des huizes draagt een elegant zwart gilet. Uit archieven afkomstige huishoudboekjes die hier ook in de vitrines liggen, tonen aan dat er aan bruidstoiletten voor jonge dames uit de gegoede klassen, besteld in Parijs, aanzienlijke bedragen werden uitgegeven.

Toch – en dat is voor Frankrijk een nieuw inzicht – bestond in de achttiende eeuw, behalve de officiële Franse mode, ook een Nederlandse en zelfs regionale mode. De Verenigde Oost-Indische Compagnie importeerde Aziatische (ook katoenen) stoffen met bijzondere motieven die in de Nederlandse en later ook in de Europese mode terug te vinden zijn. De expositie toont ook typisch Nederlandse damasten kamerjassen voor heren en gilets van donker indigo en pastelblauw. In de Republiek, waar zuinigheid een deugd was, deinsde men er niet voor terug oude japonnen te vermaken tot een nieuw model of kinderkleding te vervaardigen uit een afgedankte robe.

Anders dan in het hiërarchische Frankrijk legden de verschillende sociale klassen in de Republiek ook hun eigen, regionale accent in de kleding. Een serie prenten uit het prentenkabinet van de Leidse universiteit toont de dracht van de `Scheeveningsche visboer' tot die van de `Leuwaedse burgerman'. Het mooiste voorbeeld van regionale mode is de Hindelooper bruid met een rood-witte wentke van Indiase sits, afkomstig uit het Fries museum.

Modes en miroir: La France et la Hollande au temps des Lumières, Musée Galliera, 10, Avenue Pierre Ier de Serbie, is geopend van 10-18u. (beh. ma), tot 21 augustus. Daarna te zien in het Haags Gemeentemuseum. Catalogus €39.