Verbonden in verscheidenheid

Art.I-10 (1) Het burgerschap van de Europese Unie staat naast het nationale burgerschap en treedt niet in de plaats daarvan.

Naast munt, vlag en hymne is het Europees burgerschap geïntroduceerd om Europeanen, ondanks alle verscheidenheid, een gevoel van verbondenheid te geven. EU-burger is iedereen die de nationaliteit van een lidstaat bezit.

Uit het burgerschap vloeien bepaalde rechten voort, zoals het recht om vrij te reizen, te werken en te verblijven in alle EU-landen. Niet-EU-landers krijgen deze rechten na vijf jaar legaal verblijf in de Unie.

De praktijk is vaak weerbarstig. Bijvoorbeeld bij een geregistreerd partnerschap of een homohuwelijk. Kiest een van de partners voor werk in een ander EU-land, dan krijgt de niet-werkende partner niet altijd verblijfsrecht, hoe vanzelfsprekend dat bij `gewone' huwelijkspartners ook is.

In de vorige versie van het Europese verdrag stond nog dat het burgerschap van de Unie het nationale burgerschap aanvult. Waarom in de Grondwet is gekozen voor nevenschikking (staat naast) is voer voor juristen. Sommigen zien er een lichte afzwakking in.

Nieuw is dat de Grondwet voor het eerst een vorm van directe democratie in de Unie introduceert, het burgerinitiatief: wanneer ten minste één miljoen burgers, afkomstig uit een significant aantal lidstaten, vinden dat de Unie een bepaalde kwestie moet regelen, dan kunnen zij de Europese Commissie verzoeken ,,een passend voorstel daartoe in te dienen'' (art. I-47, lid 4). Procedure en voorwaarden moeten nader bij Europese wet worden geregeld.