Sociale spagaat gewantrouwd

Art. III-209. De Unie en de lidstaten stellen zich ten doel de bevordering van de werkgelegenheid, de verbetering van de leefomstandigheden en van de arbeidsvoorwaarden.

,,Europa zal sociaal zijn, of niet zijn'', zei de Franse president FranÇois Mitterrand vijftien jaar geleden. Hij zag zijn inspanningen om de oorspronkelijke Europese Economische Gemeenschap een `sociaal gezicht' te geven bekroond in het Verdrag van Maastricht (1992). Via Amsterdam (1997) en Nice (2000) werd het verder opgepoetst. Ook in de Europese Grondwet is het sociale doel hartverwarmend verwoord: ,,adequate sociale bescherming'', ,,sociale dialoog'', ,,duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau'', ,,bestrijding van sociale uitsluiting''.

De mooie woorden contrasteren met de bevoegdheden van de Unie. Formeel is het sociale beleid een gedeelde bevoegdheid tussen de Unie en de lidstaten. Maar in de uitwerking beperkt de EU-inbreng zich vooral tot ,,coördineren'', ,,ondersteunen'' en ,,aanvullen''. Dat geldt dan met name voor werkgelegenheid, arbeidsvoorwaarden, sociale zekerheid en arbeidshygiëne.

Maar sommigen wantrouwden de invulling. De Britten zagen een van hun red lines rond Brusselse bemoeienis bedreigd. Mede op hun aandrang is een verklaring aan de Grondwet gehecht, waarin staat dat de genoemde onderwerpen ,,in essentie onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen''. ,,De ondersteunende en coördinerende maatregelen [van de Unie] zijn van aanvullende aard. Zij hebben niet ten doel de nationale stelsels te harmoniseren.''