Potvissen stranden doordat zon aards magneetveld verstoort

De toename aan potvis-strandingen heeft misschien een natuurlijke verklaring: een toenemende zonne-activiteit. Er blijkt een opvallende relatie tussen zonne-activiteit en het stranden van potvis-mannetjes rond de kusten van Nederland, Duitsland, Denemarken en Engeland.

Dat stelt een onderzoeksgroep aangevoerd door Klaus H. Vanselow in de Journal of Sea Research (vol.53, pag. 319). Vanselow c.s. zijn verbonden aan de universiteit van Kiel. De groep heeft zich beperkt tot een puur correlatief onderzoek maar komt toch met de suggestie dat de invloed van de zon verloopt via verstoring van het aardmagnetisch veld.

De laatste tien jaar is duidelijk geworden dat veel dieren (vissen, vogels en ook zoogdieren) voor hun oriëntatie gebruik (kunnen) maken van het aardmagnetisch veld. In ieder geval blijken zij bij experimenten gevoelig voor veranderingen in dat veld. Zelfs zijn in weefsels ijzerhoudende korreltjes (magnetiet, greigiet) gevonden die hierin een rol kunnen spelen. Ook voor walvissen, vooral soorten uit de onderorde van de tandwalvissen, is aannemelijk gemaakt dat zij gevoelig zijn voor sterkte, richting en/of gradiënten in het aards magnetisme. Dat magnetisme komt onder water net zo goed tot uiting als in de lucht.

Het is al lang bekend dat een actieve zon (met veel zonnevlekken en uitbarstingen die een `geomagnetische storm' opwekken) regelmatig het aardmagnetisch veld flink verstoort. Historische gegevens over `magnetische stormen' zijn onvoldoende beschikbaar, maar Vanselow c.s. behielpen zich met statistiek van de zonnevlekken zelf. De afgelopen drie eeuwen bleek in het voorkomen van zonnevlekken een ritmiek van gemiddeld ongeveer 11 jaar voor te komen, maar de afzondelijke perioden uit deze zonnecyclus kunnen meerdere jaren korter of langer zijn. Essentieel is dat in korte periodes veel vaker krachtige stromen geladen deeltjes richting aarde worden gezonden.

Het was een kleine stap om de statistiek van potvis-strandingen (die al eerder was opgesteld door Chris Smeenk van het Natuurhistorisch Museum in Leiden) te correleren aan de lengte van de 27 zonnecycli die zich sinds 1712 hebben voorgedaan. De uitkomst was frappant: 90 procent van de geregistreerde strandingen vond plaats tijdens cycli die korter waren dan het gemiddelde van 11 jaar. Telde men alleen strandingen uit het seizoen november-maart, de periode waarin de potvismannetjes langs het noorden van Schotland naar het zuiden trekken, dan liep dit percentage zelfs op tot 94 procent. (Daar valt op af te dingen dat de wijze waarop de cyclus-lengte wordt bepaald van grote invloed is.) De suggestie is dat sommige potvismannetjes tijdens hun wintertrek bij een magnetische storm op het moment suprême bij Schotland gedesoriënteerd raken en niet rechts- maar linksaf slaan. Dat is een groot risico want zij kunnen de geleidelijk oplopende Noordzeestranden niet goed detecteren.