Petrichor

DAT BIJ HET ouder worden niet alleen het gehoor en het gezichtsvermogen in elkaar zakt, maar ook het reukvermogen, dat is iets waar de jongere medemens niet vroeg genoeg voor gewaarschuwd kan worden. De dag zal aanbreken waarop ook die zich realiseert dat hij al maanden niet geroken heeft hoe lekker het rook als hij 's morgens vroeg de voordeur achter zich dicht trok. Of hoe de straat geurde na een verse regenbui. Als het besef doordringt is het te laat, dan zal hij het waarschijnlijk nooit meer ruiken. Nog weer later vergeet hij het verlies.

`t Is geen prettig vooruitzicht, want die versberegende straat is niet het enige dat wegvalt. Er is ook het wasgoed dat een dag in de wind heeft gewapperd. Versgemaaid gras. Een boek uit 1850. En kat die in de zon ligt. Gluton. Stearinekaarsen. Maar niemand die waarschuwt. Of bijna niemand: Karel van het Reve heeft eens verteld hoe hij, oud geworden, de geur van pasgeboren babies miste. Tien jaar geleden beschreef Geert Mak het leven van iemand die na een stevige griep zijn reukvermogen had verloren. 't Was Maks eigen leven en het vreemde was dat de neuswerking na een paar maanden werd hersteld. Maar de opsomming van emoties was compleet.

Je kunt er een dagtaak aan hebben om bij te houden hoever het sluipend reukverlies is verder geslopen en te bedenken hoe je je het beste op de gevolgen voorbereidt. Nog maar eens aan een boek uit 1850 ruiken? Na elke verse regenbui de straat op? Bij gebrek aan beter viel deze week het besluit eens na te gaan wàt het is dat zo lekker ruikt als een straat of trottoir na weken van droogte voor het eerst weer nat regent. Dat voornemen was er al jaren, maar er was nooit enig uitzicht op een antwoord.

Inmiddels is er internet en met de trefwoorden `rain' en `smell' (of `odour' en `odor') is de geïnteresseerde binnen een paar minuten doorgedrongen tot de relevante literatuur. Er blijkt zelfs een woord te bestaan voor de versberegende stratengeur: petrichor. Via `petrichor' belandt men bij een artikel uit Nature van 7 maart 1964 waar dat woord voor het eerst wordt gebruikt en daar staat eigenlijk alles wat de buitenstaander weten wil.

Eerst recapituleert hij wat hij zelf aan nuttige observaties had verzameld. Niet veel is dat, eigenlijk alleen dit: een straat die al dagen lang nat is, zoals in de winter voorkomt, geeft niet veel geur meer af. Verder lijkt het niet veel uit te maken of de weg veel of weinig wordt gebruikt en of hij bestaat uit klinkers of trottoirtegels. Of asfalt na een eerste regenbui net zo lekker ruikt als betonnen of gebakken stenen is onduidelijk.

Nu gaan we naar `Miss I.J. Bear' die het woord petrichor in 1964 introduceerde. Zij is een Australische geologe of mineraloge die zo zoetjesaan bijna tachtig moet zijn. Afgaande op internet is Isabel Joy Bear nog in full swing, ze heeft net een nieuw boek geschreven.

Het uitgangspunt van Bears onderzoek was zuiver mineralogisch. Mineralogen van de oude stempel hadden niet alleen de gewoonte onbekende mineralen te bekrassen om ze, met behulp van een hardheidsclassificatie, te identificeren, ze roken er ook aan. Ze roken aan mineralen die net nat waren gemaakt. Je mag aannemen dat ze er op spuugden. Een klei-achtige geur (argillaceous odour) gaf dan een aanwijzing voor het een of ander.

Maar, schreef Bear met zoveel woorden in Nature, het valt ons op dat dezefde mineralen elke keer weer een beetje anders ruiken. Er zitten soms geuren doorheen van verse aarde of van gedroogd gras. Die geur treedt het duidelijkst naar voren in droge gebieden, waar de aarde arm is aan organische stoffen en de schrale bodem op regelmatige plaatsen wordt doorbroken door rotsachtig gesteente. (Het zal wel op Australië slaan.) De geur wordt er in verband gebracht met de eerste regen na een periode van droogte. Er zijn aanwijzingen dat dorstig vee onrustig wordt van deze geur, die de wind over aanzienlijke afstanden met zich mee kan voeren. (Ziehier een mooi detail dat in de opsomming van daarnet ontbrak: de natte-straat-geur is er vaak al vóór de straat nat is. Na een voldoende lange periode van droogte kan ook een mens het naderen van de regen ruiken.)

Dan komt een verrassende mededeling. De aangename kleiige geur wordt, of werd, in India als parfum verkocht en heet daar `matti ka attar'. Voor het verzamelen van de geur bakte men schoteltjes van klei die wekenlang in de buitenlucht werden opgeslagen. De typische geurstoffen die zich in de klei ophoopten werden er met stoomdestillatie uit verdreven en opgevangen in sandelolie.

De redactie van Nature was in 1964 nog niet zo streng als nu. Niet alle beweringen die Bear daarna doet zijn even hard en reproduceerbaar. Het komt erop neer dat ze meent dat voor het opdoen van de typische petrichor-geur een lang verblijf in warme lucht een voorwaarde is en dat poreusheid een belangrijke rol speelt. De chemische samenstelling van de klei of rots is van minder belang. Interessant is dat zij een hele serie mineralen-monsters in een moffeloventje verhitte bij 600 graden (waardoor alle resten van organische verbindingen ontleedden en verdwenen) en daarna kon vaststellen dat ze na verloop van tijd toch veel geur verzamelden. Dat bleek als ze werden natgemaakt.

Om kort te gaan: veel kleisoorten en andere gesteenten lijken in droge toestand effectief vluchtige verbindingen uit de buitenlucht in hun poriën te op te nemen. Bear heeft veel van deze verbindingen geanalyseerd en de meeste zijn organische, vaak ook min of meer olie-achtige verbindingen. Zo wordt begrijpelijk dat in tweede instantie ook specifieke bacteriën en schimmels in de poriën tot ontwikkeling kunnen komen. Bear noemt er een paar, op internet noemen anderen weer andere. Voor de slechtruikende blijft toch de belangrijkste boodschap: petrichor is te concentreren en te bewaren. Ieder kan zijn eigen collectie aanleggen.