`Nooit zou ik een vrouw van de gemiste kans zijn'

Claudine Taittinger, weduwe te Nice, haalt in brieven aan haar jonge neef, dj te Amsterdam, herinneringen op aan haar veelbewogen leven

Beste neef,

Niet zo haastig! Je dacht toch niet dat ik het verhaal van je moeder in een zucht aan het papier kon toevertrouwen? Het zou trouwens zeer dienstig zijn, wanneer je spoedig Nice weer eens zou aandoen – al pas ik ervoor, in woord en geschrifte nog langer door jou als `ouwe' te worden aangesproken.

Je vraagt in je brief waarom ik je moeder Laurentia in Bucarest heb gelaten, in het gezelschap van die sinistere kolonel Dimitriescu, en zelf met het spoor naar Straatsburg ben teruggekeerd? Niet alleen de nieuwe wereldoorlog was het, die mij daartoe aanzette – je vermoeden in deze is juist. Er was ook een man, Antoine, ingenieur bij de Mines de la Houve, naar wie ik terugverlangde. Bel homme, met een snorretje zo dun als men gewoonlijk alleen bij vrouwen ziet, en het flatteuze uniform der mijningenieurs.

Antoine, meende ik toen, was mijn grote liefde, en in de maanden waarin Laurentia mij meesleepte in het mondaine leven van Bucarest – niet ten onrechte als het Paris des Balkans betiteld – week hij niet uit mijn gedachten. Dat was temeer opmerkelijk daar onze betrekking zich bijna geheel in geschrifte had voltrokken. Menigmaal zag ik, 's avonds door de vitrages van mijn ouderlijk huis kijkend, hoe Antoine zich zwaar zuchtend op het trottoir aan de overkant had geposteerd. Vaak lag er dan de volgende ochtend een envelop op de mat met een nieuw poëem, waarin hij zich beklaagde over mijn onbereikbaarheid. Die bestond echter vooral in zijn verbeelding, want onder mijn kleine ouvertures – een inkijkje hier, een opdringerig knietje daar – bleef hij geheel werkeloos.

Toch was het zijn schrijfkunst die mij aanvankelijk voor Antoine had ingenomen. Meisjes uit de betere kringen, zoals ik, hadden in deze jaren veel te stellen met huwelijksaanzoeken die de auteur aan een voorbeeldboekje had ontleend: ,,Ik neem de pen ter hand om u, mijn aanbedene, te vragen.'' Etcetera. Maar de poëtische strijkages van Antoine dreven mij, bij gebrek aan vervulling, op den duur toch tot lichte wanhoop. Ik zou niet willen beweren dat ik als meisje in deze jaren beschikte over wat destijds zo aardig `la cuisse légère' heette – dit was eerder van toepassing op Laurentia – maar op den duur begint een meisje toch naar substantie te haken.

Uit Antoine's in eigen beheer uitgegeven werken bleek, dat hij de fatale aarzeling reeds als jongeling tot het sleutelproject zijns levens had gemaakt. In een zijner heerlijkste verzen – geschreven als 22-jarig kapitein der artillerie in de Grote Oorlog – stelt Antoine zich op het standpunt van een oude man, die zijn hele leven lang schoonheden aan zich voorbij heeft zien trekken, zonder ooit de benodigde moed te vinden: `Mais si l'on a manqué sa vie / On songe avec un peu d'envie / A tous ces bonheurs entrevus, / Aux baisers qu'on n'osa pas prendre, / Aux coeurs qui doivent vous attendre, / Aux yeux qu'on n'a jamais revus'.

Om Antoine verliet ik Bucarest, maar toch heb ik hem niet weergezien. In de spijswagon van de expresse Boekarest-Parijs namelijk nam een mij onbekende man mij uitvoerig op, hetgeen mij onmiddellijk aan een gedicht van Antoine deed denken: ,,À la compagne de voyage / Dont les yeux, charmant paysage / Font paraître court le chemin / Qu'on est seul peut-être à comprendre, / Et qu'on laisse pourtant descendre / Sans avoir effleuré la main''. Zo'n vrouw, besloot ik ter plekke, zou ik nooit willen zijn – een vrouw van de gemiste kans. Dus lonkte ik terug en nadat baron S. – zoals de man heette – die avond de weg naar mijn luxueuze slaapcompartiment gevonden had, vond in die voortdenderende trein de attractie tussen de geslachten haar vervulling. Arme Antoine. Exit, door zijn aarzeling en door een les, getrokken uit zijn eigen verzen.

Bestaat de ferroviaire wellust nog, lieve neef, omlijst door het dreunen der wielen en de veilige gewisheid dat aan het eind van de reis ontsnapping wacht in de werkelijke wereld? Die TGV's van thans zijn toch maar behelpen, vergeleken met de compartimenten met wasbakje van weleer.

Is de photographie die ik je zond, en die mijn bijdragen in het Handelsblad verlucht, niet wat erg zedig afgesneden? Komt wel voldoende tot uitdrukking, dat ik in die tijd nog rookte?