Moeizame convergentie

Art.I-12 (4) De Europese Unie is bevoegd om een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te bepalen en te voeren, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid.

Supersnelle marineschepen, dat leek Nick Witney, de baas van het splinternieuwe Europese Defensie Agentschap (EDA) wel wat. Kon Europa mooi de blits mee maken als er weer een tsunami zou opduiken.

Maar Witney is realist genoeg om te beseffen dat zo'n gezamenlijke aankoop niet aan de orde is. Hij is al blij wanneer zijn EDA een coördinerende rol kan vervullen bij de aanschaf van 10.000 nieuwe pantservoertuigen die de verschillende EU-landen het komende decennium nodig hebben.

Maar hoe moeizaam de Europese samenwerking in buitenlandse politiek (Irak!) en defensie ook is, het EDA, de militaire EU-missies, de Europese minister van Buitenlandse Zaken en de onderlinge hulp- en bijstandsverplichting, ze duiden tezamen toch op enige convergentie in het optreden van de lidstaten. Dat proces sluit aan bij de Europese Grondwet, die verlangt dat de EU-landen hieraan ,,in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorvaardelijke steun'' geven.

Gemeenschappelijke buitenlandse politiek en defensie blijven in de Grondwet een zaak van de Europese Raad. De lidstaten houden ook hun vetorecht. Wel geeft de Grondwet het Europees Parlement wat meer invloed. Want de Europese minister van Buitenlandse Zaken moet er voortaan ook op toezien dat de opvattingen van het Parlement ,,naar behoren in aanmerking worden genomen''.