Kleuters kunnen lage snelheden slecht inschatten

Wie een bal rustig gooit naar een vijfjarig kind in de hoop dat hij of zij de bal dan gemakkelijker kan vangen, vergist zich. Kinderen van die leeftijd blijken langzame bewegingen veel slechter waar te nemen dan snelle. `Een langzaam gegooide bal lijkt voor een vijf jarig kind stil te staan', zo vat onderzoeksleider Terri Lewis (McMaster Universiteit, Ontario) zijn vrij technische onderzoek samen in een begeleidend persbericht. Het is voor het eerst dat het snelheidsbesef van kinderen is onderzocht (Vision Research, juli).

Een Canadees team van twee psychologen, een oogkundige en een bewegingswetenschapper liet 24 volwassen en 48 kleuters naar bewegende rasters op een computerscherm kijken, waarbij ze per twee moesten zeggen welke van de twee sneller bewoog. Volwassen namen veel kleinere snelheidsverschillen waar dan de vijfjarigen, vooral bij de langzame snelheden.

De verklaring voor de slechte kleuterprestaties in de waarneming van langzame beweging zoeken de psychologen in een nog onvoldoende rijping van het kleine hersengebiedje dat zich bezighoudt met waarneming van snelheid. In dat zeer gespecialiseerde onderdeel van de visuele cortex houden zich sowieso al weinig cellen bezig met lage snelheden (gedefinieerd als een hoeksnelheid lager dan 2 graden per seconde, de snelheid van wandelaar die op 40 meter afstand door het gezichtsveld loopt. Uit onderzoek bij apen blijkt dat nog geen 10 procent van de neuronen zich met zulke snelheden bezighouden, 15 tot 20 procent houden zich met snelheden van 20 tot 60 graden per seconden bezig, (vergelijkbaar met een passerende wandelaar op vier tot één meter) en de rest let op snelheden daar tussenin. De analyse van snelheid is ingewikkeld voor het brein omdat het ook altijd rekening moet houden met de richting van de snelheid. De snelheid van een gegooide bal moet worden afgeleid uit de hoeksnelheid in het beeld en de richting waarin de bal gegooid wordt. Met het schatten van de bewegingsrichting hebben kinderen veel minder moeite dan met het schatten van de snelheid, zo bleek al uit eerder onderzoek.

Tot nu toe was alleen bekend dat baby's tot zes maanden langzame snelheden niet zien. Zes weken oude baby's zien geen verschil tussen een stilstaand object en een die beweegt met 9 graden per seconde (een wandelaar op 8 meter), bij 12 weken oude zuigelingen ligt die grens bij vier graden per seconde. Door Lewis en zijn team is nu vastgesteld dat bij een lage snelheid van 1,5 graad per seconde volwassenen het verschil met een hogere snelheid pas opmerken als die 38% sneller is. Bij een snelheid van zes graden per seconde is die drempel nog maar 13%. De vijfjarigen deden het veel slechter. Bij 1,5 graad per seconde hadden ze een meer dan een verdubbeling van de snelheid nodig om een verschil op te merken, bij zes graden per seconde nog altijd 44% sneller. Uit het feit dat de kleuters het beter doen bij de hogere snelheden leiden de onderzoekers af dat ze niet slechter scoren door een gebrek aan oplettendheid (altijd mogelijk bij deze proefpersonen), dan zouden ze overal even slecht scoren.