`Ik ben ongenadig boos, bang en teleurgesteld'

,,Er kwam iemand op me af die zei dat ik moest ophouden over `moslims' te schrijven. Hij had `geluiden' gehoord. En ik moest zijn waarschuwing zien als `een goede tip'.

Vanaf maandag zal ik dus niet meer in deze krant schrijven, want ik ken mijn tipgevers...'

`Dat schreef ik vorige week in Het Parool, ja. Maar ik ga wel door hoor. Ik heb alleen een week vakantie genomen. Ik ben zo ongenadig kwaad en boos en bang en teleurgesteld dat ik er even niet meer tegen kon. We zijn nu een half jaar verder, in mijn naïviteit heb ik gedacht: er komt een oplossing. Maar er komt geen oplossing – natuurlijk niet.

Ik ben nooit rechtstreeks bedreigd, alleen indirect. Na de moord ben ik drie maanden bewaakt, op laag niveau, wat wil zeggen dat er hier zo'n ding van de politie voor de deur stond. Nadien hoor ik de hele tijd: hou er nou eens over op. Hou op over de moord, over Mohammed B., over Samir A., over alles wat er aan de hand is. Ik hoorde van een kennis die op een hbo in de Wibautstraat werkt, dat mijn naam daar gaat. Hij zei: die jongens, moslims, die praten over je en ze worden steeds fanatieker, kijk nou uit! En nu denk ik: ik heb er geen zin meer in, ik gooi het bijltje erbij neer. Ik word er ziek van.

Om te beginnen heb ik hartklachten. Na de moord heb ik drie, vier maanden elke avond buiten de deur gegeten, de beste wijnen gedronken. Blijkbaar kan mijn lichaam daar niet tegen. Na de crematie dacht ik: nu krijg ik weer rust. Maar het werd nog veel drukker. Films die afgemaakt moesten worden, premières, kwesties over rechten, boeken, televisie, radio, memorials waar je heen moet, lezingen waar je voor gevraagd wordt, de debatten met moslimjongeren. Daar ben ik trouwens ook wanhopig van geworden, van die debatten. Iedereen zegt: debat is goed, we moeten met elkaar in gesprek blijven. Maar er wórdt helemaal niet gedebatteerd. Ik hoor alleen maar: jij bent tegen moslims. Ik heb al honderd keer uitgelegd: ik ben niet tegen moslims, ik ben tegen religie.

En dan die antwoorden als ik vraag: wat vinden jullie dan van de moord? Het is elke keer: ja, dat is wel erg, maar júllie hebben driehonderdduizend Irakezen vermoord, júllie steunen Israël tegen de Palestijnen, júllie... Daar ben ik dus mee gestopt. En net als je denkt dat het echt wat rustiger wordt, zenden de Italianen Submission uit, of wordt Samir A. vrijgelaten, of is er een pro-formazitting in de rechtszaak tegen Mohammed B., en dan word je weer door de hele wereld gebeld voor commentaar, moet je weer overal uitleggen wat je ervan vindt.

Op een gegeven moment dacht ik: wat lig ik hier toch in mijn bed te bonken. En dan blijkt: een veel te hoge bloeddruk, een hart dat af en toe overslaat. Wat het precies is, weet ik niet. Het onderzoek loopt nog. En dat is dan alleen nog maar de lichamelijke kant. Daarnaast is er het verdriet om de dood van een vriend, maar vooral: de teleurstelling. Teleurstelling over de politiek, over alles wat er gebeurt en niet gebeurt. Daar wind ik me verschrikkelijk over op. Je weet dat het fout zit bij de AIVD, dat ze daar vóór 2/11 al wisten dat de Hofstadgroep Theo van Gogh op het oog had. Maar Remkes en Donner blijven gewoon zitten. Thom de Graaf gaat weg om de burgemeesterskwestie, Huffnagels in Amsterdam gaat weg om een verkeerde belastingaangifte. Maar er wordt een moord gepleegd die voorkomen had kunnen worden, een politíéke moord, en Remkes en Donner blijven gewoon zitten.

Ik ben teleurgesteld in Femke Halsema, die zegt dat ze achter de analyse van Geert Mak staat. Geert Mak is een goede vriend van me, maar ik heb zijn boekje huilend gelezen. Huilend! Ik ben teleurgesteld in burgemeester Cohen met zijn filosofie over de boel bij elkaar houden. Ik woon in een stad waar moslims steeds radicaler worden, waar het antisemitisme groter is dan het ooit geweest is, waar homo's in elkaar geslagen worden, waar buitenlandse cameraploegen niet durven te filmen in de buurt waar Mohammed B. woonde, waar het meer op Duitsland in 1933 lijkt dan op Nederland in 2005. En het enige wat ik hoor is: hou er nou een keer over op!

Het is geen depressie. Het is woede, machteloze woede. Ik schrijf er elke dag over, maar ik heb dat nooit gewild. Waar is mijn gevoel voor humor gebleven? Had ik ooit kunnen denken dat cynisme mijn levenshouding zou worden? Ik was de man van de ironie, van de relativering. Maar ik kan niet meer relativeren. Ik wil schreeuwen: mensen, kijk wat er gebeurt, wat er aan de hand is! Ik wil gehoord worden.

Na de dood van een vriend mag je rouwen. Maar het mag niet te lang duren. Na een paar maanden gaan mensen je laten merken dat het genoeg geweest is. Dat merk ik nu ook. Alleen: ik ben nog helemaal niet aan rouwen toegekomen. Daar heb ik het veel te druk voor gehad. De rouw begint nu pas. En nu mag het niet meer. In dat gat zit ik ook, denk ik. Ik voel nu pas goed hoe erg ik Theo mis. Ik zit te eten in een restaurant in Amsterdam en daar zie ik Paul de Leeuw die last van zijn arm heeft. Als Theo erbij was geweest, dan had die zeker iets lulligs tegen hem geroepen. Ik zit naar een voetbalwedstrijd te kijken en ik denk: vroeger zat Theo naast me. Maar Theo is er niet meer.

Mijn leven is definitief veranderd. En het ging net zo goed allemaal. We hadden leuke plannen voor films – ook over hoe we die nog goedkoper konden produceren. We hadden eindelijk goede contacten opgebouwd met de omroepen. Dat is allemaal weggevallen. Ik denk nu maar: dit jaar is wat mijn werk betreft weggegooid. Ik wacht maar af, ik ga niets ondernemen. Dit jaar staat in het teken van Theo. Hoewel, het is niet helemaal waar wat ik zeg. Ik heb een monoloog geschreven, met muziek. Het is het laatste vraaggesprek met Gerard Reve, aan de vooravond van zijn dood. Maarten Wansink gaat die opvoeren. Gerard Reve is de meester van de ironie, en ik dacht: als bij mij de ironie verdwijnt en er cynisme voor terugkomt, dan helpt dit me misschien.

Ik snáp het wel hoor, dat de lezers van Het Parool en de Groene boze e-mails naar de redactie sturen en klagen: waar is de oude Theodor? Ze hebben gelijk. De nieuwe Theodor heeft zich in zijn huis opgesloten en wordt steeds zuurder. Vroeger liep ik hele dagen door de stad om te kijken wie ik nou eens in de maling kon nemen en kon uitlachen. Ik was de man die langs de lijn stond en iedereen in het veld afzeek. Niet de aardigste positie die je in het leven kunt hebben, maar wel een die me zeer beviel. Maar nu sta ik zelf in het veld, ik ben onderdeel geworden van een spel waaraan ik nooit heb willen meedoen. De afstand is verdwenen.

De oude Theodor was altijd depressief, en hij bestreed de depressie door hard te werken. Wie hard werkt, hoeft niet te leven. Vroeger wist ik niet hoe ik 's morgens moest opstaan, godverdomme, wat is het toch allemaal verschrikkelijk. Ik vluchtte in stukjes schrijven, heel veel stukjes. Theodor liep door de stad en zat verder maar wat aan zijn pik te trekken. Dat was een zelfgeschapen beeld van mij, maar het was wel oprecht. Mijn depressiviteit was een vorm van romantiek, letterlijk romantiek, want dat was waar ik over schreef.

Ik kan het niet meer. Mijn romantische depressiviteit heeft plaatsgemaakt voor maatschappelijke depressiviteit, zonder ironische distantie. Het bevalt me helemaal niet, maar het is niet anders. Ik zal niet ontkennen dat ik het fijn vind als de schijnwerpers van de wereld op mij gericht zijn, als ik aandacht krijg. Ik sta graag voor de camera's, het is prettig om met journalisten te praten. Maar ik had die aandacht willen hebben voor een Oscar, voor de Nobelprijs. Niet hiervoor. Het verhaal dat ik moet vertellen is droevig en treurig en ik word er verschrikkelijk ellendig van.

Volgende week ga ik weer door met schrijven, natuurlijk ga ik door. Maar ik sta voor een dilemma. Ga ik het er nu wél of níét over hebben? Ik denk: toch maar wél. Ik begrijp nog steeds niet waarom niet alle televisieprogramma's, alle films, alle toneelstukken over de moord op Theo gaan. Rationeel begrijp ik het, emotioneel niet. Iedereen houdt een slag om de arm, niemand durft echt wat te zeggen. De cabaretiers, de grote schrijvers – ze laten zich niet horen. Waar blijft het pamflet van Arnon Grunberg, van A.F.Th. van der Heijden? Ja, Mulisch schreef over de moord op Theo – in een Duitse krant. Als ik zie hoe er in Amerika op 9/11 is gereageerd met films, met opera's, met romans, dan zeg ik: wij leven hier in Madurodam. Zoals Ayaan Hirsi Ali ook zegt: Madurodam. Zo is het. En dat merk je hier aan.

Ik sluit niet uit dat ik het verkeerd zie. Het kán zijn dat ik wat er gebeurt niet in het juiste perspectief zie. Dat het allemaal niet zo erg is als ik denk. Dat het allemaal zo'n vaart niet loopt. Dat zou wel tragisch zijn voor mij. Maar als ik dan naar de verloedering in de stad kijk, naar de lafheid in de politiek, dan denk ik: nee, ik heb gelijk. Mijn gewaardeerde collega Mak heeft een andere visie, en het kan zijn dat hij gelijk heeft. Maar dan zie ik weer hoe iedereen zonder enige kritiek gelukkig loopt te zijn bij het jubileum van Beatrix, en dan denk ik: is dit mijn land? Er zijn hier drie politieke moorden gepleegd – ik reken die van Murat B. op zijn leraar erbij. Ik zie overal racisme, toenemend, wederzijds racisme. Ik zie een mensenmassa die elk moment kan exploderen. En iedereen loopt feest te vieren?

Na de moord op Fortuyn vroeg ik me al af: is het hier Duitsland 1923, toen iedereen zich miljonair waande, of is het 1933, toen Hitler aan de macht kwam? Theo zei: het is 1938 – de oorlog is nog niet begonnen, het moorden wel. Mensen zijn fed up with democracy, dat is het meest zorgelijke. Je ziet het aan het totale gebrek aan belangstelling voor het referendum. Je ziet het aan de nieuwe politieke partijen. Peter R. de Vries die zijn partij autoritair wil organiseren. Wilders die strakke leiding van bovenaf wil. De SP is nooit democratisch geweest. Niemand weet meer wat we willen, wat voor politiek we willen. De meeste linkse mensen – en dan bedoel ik Ayaan Hirsi Ali – vind je bij de VVD. De meest rechtse gedachten vind je bij Wouter Bos. Die wil níéts veranderen.

Ik heb me altijd afgevraagd hoe het toch kon dat aan het begin van de twintigste eeuw ook intellectuelen kozen voor de gesloten systemen van het communisme, het nazisme en het fascisme. In het boek The Dictators, over Hitler en Stalin, vond ik een antwoord dat even verhelderend als voor de hand liggend was. Het was gewoon mode. Waarom werd Fortuyn zo populair – een rare nicht met twee hondjes en een chauffeur en een dure auto? Ook mode. En nu is het mode om van mening te zijn dat democratische vrijheden mogen worden aangetast.

Wij moeten niet meer met moslims debatteren, moslims moeten met elkáár debatteren. Zo is het ook gegaan met de RAF en met de Molukkers. Het enige wat tegen die terreur heeft geholpen was de interne discussie. Dat is wat er moet gebeuren: een interne discussie in de moslimwereld. De moslims moeten het zelf doen. En het laatste wat moet gebeuren is wat Donner nu doet: wetten maken die in strijd zijn met de rechtsstaat.

Begrijp me goed, ik vind het ook verschrikkelijk dat Samir A. en zo zijn vrijgelaten. Maar er moet geen wetgeving komen om dat te veranderen. Als de rechter zegt: iedereen mag plattegronden van Schiphol en de Tweede Kamer in bezit hebben, dan zeg ik: prima! Jammer dat we Samir A. niet kunnen opsluiten. Maar zo is het.''

Wilt u reageren? Stuur uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam