Het begin

Vier duiven, drie boeren, een koning en de zweet – die de eerste klappen van de rubberen bal opvangt – zijn het doelwit van de kegelaar. Een sport die, op enkele koppig volhoudende bestuursleden na, bijna lijkt uitgestorven. Maar een bezigheid die al sinds mensenheugenis bestaat, is niet zo maar verdwenen en na lang zoeken blijkt er toch jong grut te bestaan dat de ballen over de houten baan en richting de negen kegels laat rollen. Verwar kegelen niet met het populaire bowlen, kegelaars vinden dat maar gooi- en smijtwerk voor personeelsavonden en familiefeestjes. De elf pupillen van jeugdkegelclub De Kegelvlegels uit Tilburg trainen eenmaal per week, op zondagmorgen. Er hangt hier de sfeer van een jeugdhonk na de zondagsmis. Er wordt koffie en limonade gedronken, een jeugdlid vraagt met zuidelijk accent of die smartlappenmuziek niet eens uitgezet kan worden en vervangen door wat pittigers. De ballen met één vingergat zijn kostbaar en zwaar, wegen tussen de acht en achttien pond en dienen over een twintig meter lange en toch wel erg smalle houten baan te worden geworpen. Waar bovengenoemde houten kegels hen op staan te wachten. Een aantrekkelijk kledingattribuut is de nu plotseling weer hoogst moderne schoen waarmee er gekegeld dient te worden. Om straatvuil te weren én de tere kindervoet te beschermen tegen de brute inslag van een voortijdig losgelaten of jammerlijk misgeworpen bal.

Dit is de twintigste aflevering in een serie over kinderen en sport.