Het befaamde, `niet bestaande' plan B

Formeel kan één land de invoering van de Grondwet tegenhouden. Maar de praktijk kent nuances. Van belang is welke lidstaat tegenstemt. En waarom.

Als een politieke wave beweegt de discussie over de Grondwet zich door het stadion Europa. Het begon begin dit jaar in Spanje, nu dan in Frankrijk en Nederland om ergens in de loop van het volgend jaar in Groot-Brittannië te eindigen. Omdat alle 25 landen van de Europese Unie het grondwettelijk verdrag moeten ratificeren, vindt ook in elke afzonderlijke lidstaat een debat plaats over de pro's en contra's. Waarbij de uitkomst van de stemming in elk land telkens weer even belangrijk is voor alle overige leden van de Unie. Want zo zeggen de formele regels er hoeft maar één land tegen te zijn en de Grondwet kan niet worden ingevoerd.

De debatten zijn het heftigst in die landen waar ook volksraadplegingen worden gehouden over de Grondwet. Behalve in Nederland is dit nog in zeven andere landen het geval. Daarnaast beraden Tsjechië, Polen en Zweden zich nog of ook daar de bevolking zich rechtstreeks mag uitspreken. De referendumlanden zijn tevens de `onzekere' landen. In de lidstaten van de Unie waar de ratificatieprocedure de gebruikelijke gang langs het parlement doorloopt, bestaat overal een meerderheid voor de Europese Grondwet.

De grote vraag is wat er werkelijk gebeurt als een land nee zegt. Het is niet zo dat dan het ratificatieproces in alle andere landen direct wordt stopgezet. Bij een Franse afwijzing op 29 mei, gaat het referendum in Nederland, drie dagen later, gewoon door. En, zo hebben diverse Europese politici inmiddels verklaard, dit geldt ook voor andere landen. Alle lidstaten van de Unie moeten hoe dan ook de gelegenheid krijgen zich over de Grondwet uit te spreken. Mocht eind volgend jaar blijken dat twintig van de 25 landen van de Unie het verdrag hebben bekrachtigd en dat één of meer lidstaten problemen hebben met de ratificatie dan zullen de Europese regeringsleiders van de Unie de kwestie bespreken, zo staat in de slotakte.

Anders gezegd, dan komt het befaamde `plan B' aan de orde waarvan nu alle direct betrokkenen bij hoog en bij laag beweren dat dit niet bestaat. Van belang voor het ontwikkelen van een alternatief is welke landen hebben tegengestemd. Voor de betekenis maakt het wel degelijk uit of dat een groot land is zoals Frankrijk dat bovendien ook nog tot de grondleggers van de Europese Unie behoort of een betrekkelijk klein land als Tsjechië dat ook pas een jaar lid is. Nederland zit daar tussenin. Niet behorend tot de grote landen van de Unie, maar wel één van de zes oprichters. Vandaar ook dat een eventuele Britse afwijzing anders zal worden opgevat dan een Franse. De Britten zijn pas later bij de Unie gekomen en stonden van meet af aan veel gereserveerder tegenover de Europese integratiegedachte.

Vervolgens is de vraag waarom landen hebben tegengestemd. Dat is zeker in die lidstaten waar de afwijzing een gevolg is van een referendum, moeilijk helder aan te geven. Zoals de huidige discussies in Frankrijk en Nederland duidelijk maken is er geen sprake van een eenduidig nee-kamp. Tot de tegenstanders behoren zowel mensen die tegen verdergaande Europese integratie zijn als mensen die de Grondwet niet ver genoeg vinden gaan om tot een Europese eenheid te komen. Omdat er geen eenduidig nee bestaat, is er ook geen eenduidige oplossing.

De logische stap bij een afwijzing door één of meerdere landen is dat er wordt heronderhandeld. Maar het wordt minder logisch als niet duidelijk is waarover onderhandeld moet worden. Bovendien moeten alle overige landen maar tot het heronderhandelen bereid zijn. De Europese Grondwet is een fragiele compromistekst, en dus kan een concessie aan een bepaald land al gauw leiden tot verzoeken om compensatie bij andere landen.

Voor de korte termijn betekent het niet invoeren van de Grondwet dat de Europese Unie op de huidige voet verder gaat. Dan blijven de besluitvormingsprocedures gebaseerd op het Verdrag van Nice. Het meest zichtbare deel van de Grondwet, de instelling van een vaste voorzitter en een `minister' van Buitenlandse Zaken gaat dan voorlopig niet door. Eén van de scenario's die in Brussel de ronde doet is dat de regeringsleiders zullen aankoersen op een `redden-wat-er-nog-te-redden-valt' oplossing. Dit houdt in dat de minst controversiële delen van de Europese Grondwet worden ondergebracht in een nieuw, veel korter, verdrag. Alleen is onduidelijk wat nu precies die controversiële delen zijn. Bovendien zal een uitgekleed verdrag waar de regeringsleiders overeenstemming over hebben bereikt ook weer alle lidstaten moeten passeren, waarbij alle landen voor zich de afweging moeten maken of zij hier opnieuw een volksraadpleging over zullen houden.

Een andere theoretische mogelijkheid is dat de Europese Unie besluit de Grondwet alleen van toepassing te verklaren op de landen die het verdrag wel hebben geratificeerd. Dat vergt enige aanpassing van de tekst en dus zullen ook alle landen, behalve de tegenstanders van de oorspronkelijke Grondwet, zich er opnieuw over moeten uitspreken. Deze oplossing betekent in feite dat de tegenstemmers tot buitenleden van de Europese Unie worden bestempeld. Maar dat de overige leden van de Europese Unie dit landen als Frankrijk of Nederland zullen aandoen, wordt door diplomaten in Brussel uitgesloten geacht.

Veel simpeler zou zijn dat landen die zoveel moeite hebben met de ontwikkeling van het verenigd Europa zelf besluiten uit de Unie te stappen. Alleen kan dat nu niet. Deze mogelijkheid staat pas in de Europese Grondwet die daarvoor dan wel eerst moet worden aangenomen.