Geheugen van ouderen is gevoeliger voor desinformatie

Oudere mensen laten zich gemakkelijker op het verkeerde been zetten als iemand hen informatie geeft die afwijkt van wat zij oorspronkelijk gehoord hebben. Dit effect gaat verder dan verwacht kan worden op grond van de objectieve verslechtering van het geheugen die gepaard gaat met ouderdom.

De onderzochte ouderen (gemiddeld 75 jaar oud) gingen tien keer zo vaak de fout in als jongvolwassenen (gemiddeld 19 jaar), ontdekten psychologen van Washington University. Volgens hen ligt de grotere gevoeligheid voor desinformatie bij ouderen mogelijk aan een slechter functioneren van de frontale cortex, verantwoordelijk voor planning. ``Ze weten niet wat ze niet weten'', aldus onderzoeksleider Larry Jacoby. (Journal of Experimental Psychology, mei).

Een voorbeeld van het desinformatie-effect is als een kwaadwillende klusjesman tegen zijn klant zegt: ``We hadden afgesproken dat u me [een hoger bedrag dan afgesproken] zou betalen''. De kans dat een oudere klant de klusjesman gelijk geeft en dus een foutieve herinnering heeft, is veel groter dan bij een jongere volwassene.

Om dit experimenteel te onderzoeken selecteerden de psychologen 24 ouderen van gemiddeld 75 jaar en evenveel jongeren van gemiddeld 19 jaar.

Het onderzoek werkte met de herinnering aan woorden. Allereerst stelden de onderzoekers vast dat de toegang tot de herinnering van het juiste woord wordt verstoord door het voorhouden van het onjuiste woord. De proefpersonen (om praktische redenen uitsluitend de groep jongvolwassenen), bestudeerden paren van woorden, waarvan de betekenissen verband met elkaar hielden, zoals knee en bone. Later kregen zij het linkerwoord en een deel van het rechterwoord te zien: knee en b_n_.

De misleiding bestond eruit dat wanneer zij het volgens hen juiste rechterwoord invulden, het oorspronkelijke rechterwoord te zien òf een ander `logisch' woord te zien kregen, zoals bend. Van degenen die het verkeerde woord te zien kregen, vulde 59 procent het juiste woord in, tegen 81 procent die wel het juiste woord te zien kreeg.

De volgende vraag is dan waarom de proefpersonen die (na het verkeerde woord te zien) een verkeerd woord invulden. In een tweede experiment stelden de onderzoekers aan ouderen en jongeren na het invullen van de woorden de vraag of ze zich het woord herinnerden, het woord hen bekend voorkwam of dat zij gokten. Ouderen meldden vaker dan jongeren dat zij zich hun antwoord herinnerden, maar `herinnerden' zich tien keer zo vaak een fout antwoord: van de ouderen die een fout antwoord invulden zei 43 procent het zich te herinneren, terwijl dat bij de jongeren 4 procent was. Ook als de proefpersonen het antwoord open mochten laten omdat ze er niet zeker van waren, toonden ouderen zich veel zekerder van hun (misleide) herinnering. Ouderen bleken door de presentatie van het fragment gemakkelijker afgeleid raken van hun herinnering. Ze verwarden de mogelijke bronnen van hun gedachte: een echte herinnering, of het voorgehouden fragment.

In de experimenten was gecorrigeerd voor vooropleiding en het individuele vermogen om te leren en kregen ouderen meer tijd om de woorden te bestuderen.