Eldorado voor juristen

Art.I-9 (1) De Europese Unie erkent de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Unie, dat deel II vormt [van de Europese Grondwet].

Aanvankelijk was de rolverdeling helder: de Europese Unie (Brussel) doet de economie, de Raad van Europa (Straatsburg) de rest. De laatste instantie kent (sinds 1950) ook een apart verdrag, het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

Gaandeweg is de Europese Unie zichzelf meer en meer gaan profileren als `waardengemeenschap'. Dat resulteerde eind 2000 in het Handvest van de grondrechten van de EU, dat – hoe kan het ook anders – grote gelijkenis vertoont met het EVRM. Nieuw is dat dit Handvest nu is opgenomen in de Europese Grondwet. Daardoor wordt het juridisch bindend.

Maar dit betekent níet dat alle geformuleerde rechten (zoals recht op onderwijs, recht om te werken) zonder meer zijn op te eisen in EU-verband. Want om te voorkomen dat de Unie haar bevoegdheden via de achterdeur oprekt, is in de Grondwet de bepaling opgenomen dat het Handvest ,,het toepassingsgebied van het EU-recht niet verder uitbreidt''.

Er tekenen zich nu al twee stromingen af. De ene stelt dat de reikwijdte van het Handvest op deze manier keurig is ingeperkt. De andere zegt: Dat zullen we nog wel eens zien! Deze confrontatie tussen inperkers en oprekkers maakt de Europese Grondwet plus Handvest tot een waar eldorado voor juristen. Het laatste woord is dan uiteindelijk aan het Europees Hof van Justitie in Luxemburg.