Dzjenghis Khan is weer volksheld in Mongolië

Toen Mongolië onder sovjetinvloed stond, vormde Dzjenghis Khan een nationalistische bedreiging. Nu mag hij weer een volksheld zijn.

,,Dzjenghis Khan was helemaal geen slechte vent'', zegt Elbegdorj Tsahkia, de premier van Mongolië, met een glimlach. ,,Hij had gewoon een slechte pers.'' Hij maakt maar half een grapje. Vanaf het moment dat Mongolië begin jaren negentig uit de schaduw van de Sovjet-Unie stapte, hebben de volksverhalen en de mythes die de khan – de oerslechterik uit de geschiedenis – omringen, in het hele land tot de verbeelding gesproken.

Een populaire en officiële beweging om het imago van Dzjenghis Khan als bloeddorstig plunderaar bij te stellen, is op gang gebracht door bewonderaars die zeggen dat hij een waarlijk grote, zij het wat heetgebakerde, heerser was. ,,Hij is als een god voor ons'', zegt Bat-Erdene Batbayar, ook bekend als Baabar, een historicus en adviseur van Elbegdorj. ,,Hij is de stichter van onze staat, het fundament van onze geschiedenis. De communisten hebben ons op wrede wijze onze tradities en geschiedenis afgenomen, en drongen ons de normen en waarden van de westerse beschaving op, met een rood randje uiteraard, maar toch westers. Nu worden we weer Mongolen.''

Deze verering van Dzjenghis Khan is voor een deel traditie in Mongolië, waar de meeste mensen hun voorouders vereren en waar hij wordt beschouwd als vader des vaderlands. Maar in de 70 jaar dat de Sovjet-Unie de baas was in Mongolië, was Moskou bang dat de vergoddelijking van Dzjenghis Khan er het nationalisme zou aanwakkeren, en daarom was alleen al het noemen van zijn naam verboden. Mensen werden ervan weerhouden de provincie waar hij vandaan kwam – Khentii in het noordoosten – te bezoeken; een sovjet-tank barricadeerde de enige weg die Khentii met de rest van het land verbond.

Als vrije-marktdemocratie onderzoekt het land nu zijn verleden om zichzelf opnieuw te kunnen definiëren. En niemand is nadrukkelijker aanwezig in die geschiedenis dan Temujin, die de titel Dzjenghis Khan, Universele Heerser, aannam nadat hij begin 13de eeuw het grootste aaneengesloten rijk op aarde had gesmeed.

,,Inzicht in de manier waarop de Mongolen naar Dzjenghis Khan kijken, werpt licht op de manier waarop zij hun eigen erfgoed en, tot op zekere hoogte, zichzelf zien'', aldus Ts. Tsetsenbileg, een lid van de Mongoolse Academie van Wetenschappen, in een interview met de Harvard Asia Pacific Review. ,,Binnen deze snel veranderende wereld kan Dzjenghis Khan, als we hem zonder vooroordelen tegemoet treden, als moreel anker dienen. Hij kan de bron zijn waaruit een gevoel van zekerheid kan worden geput in een tijd waarin veel dingen onzeker zijn.''

Kinderen, straten, hotels, wodka, sigaretten, banken, chocoladerepen, bier, allerlei bedrijven en producten van welke soort dan ook dragen allemaal zijn naam. Zijn portret staat afgebeeld op het geld, op postzegels en op officiële gebouwen, en is her en der met verf op de muren gespoten.

De Dzjenghis Khan-furore, 778 jaar na zijn dood, is met name een fenomeen onder jongeren. Een van de toonaangevende rockgroepen van het land, Black Rose, zingt zijn lof in hymnes waarin rauwe rockvocalen worden gecombineerd met traditionele Mongoolse keelzang. ,,Ik wil dat de mensen trots zijn op hun verleden en zich de Mongool herinneren die zijn sporen in de geschiedenis heeft nagelaten'', zegt Amraa Mandakh, de zanger van de groep. ,,Vroeger was dit een samenleving zonder nationale trots, en de mensen vroegen mij wat ik in Dzjenghis Khan zag. Nu komen ze naar me toe en omhelzen me als ik zijn naam noem.''

Historici in het Westen en in China, India, Iran en andere landen die begin 13de eeuw ten prooi vielen aan de ruiters van Dzjenghis Khan beschouwden de komst van de Mongoolse horden als een apocalyptische gebeurtenis die voorgoed een einde dreigde te maken aan hun oude beschavingen. Maar voor de Mongolen is een van de grootste tirannen uit de geschiedenis altijd hun grootste held geweest. ,,Toen we jong waren, vertelden onze ouders ons altijd verhalen over Dzjenghis Khan, hoe goed en sterk hij was als kind'', zegt Naramtsetseg Dolgormaa, 27. ,,Dat zal ik nooit vergeten.''

Omdat de daden van Dzjenghis Khan uit zo'n grijs verleden stammen, blijken ze zich te lenen voor een herinterpretatie. Landen die in het gevlei willen komen bij het mineraalrijke Mongolië steunen de pogingen om het verleden tot leven te brengen. Omdat Mongolen hun doden vereren en niemand weet waar het graf van Dzjenghis Khan is, steken Peking en Tokio elkaar naar de kroon in het heiligen van zijn nagedachtenis.

China geeft zo'n 20 miljoen dollar uit aan de renovatie van een mausoleum dat in 1954 voor Dzjenghis Khan werd gebouwd in Ejin Horo Banner in de Hooglanden van Ordos in de Chinese provincie Binnen-Mongolië. In oktober meldde een met Japans geld gefinancierd onderzoeksteam dat het zijn graftombe had gevonden in Avraga, zo'n 250 kilometer ten oosten van de Mongoolse hoofdstad Ulan Bator.

Veel mensen in dit ongerepte, mooie land beschouwen deze internationale steun voor de rehabilitatie van hun goddelijke koning als de vervulling van een langgekoesterde wens om internationaal voor vol te worden aangezien.

,,De mensen moeten erkennen dat Dzjenghis Khan groot was en niet slecht'', zegt de twintigjarige kunstschilder Uchral, die zijn aquarellen van Mongoliës eindeloze steppen en uiteraard zijn krijgshaftige koning aan toeristen verkoopt bij het uit de sovjettijd stammende Ulan Bator Hotel. ,,Voor ons is hij nobel en sterk. Niemand kon ons iets maken toen hij er nog was.''

Uchral reikt tussen zijn schilderijenrollen en haalt er een portret van Dzjenghis Khan uit. Hij staat erop afgebeeld als een imposante, maar bedachtzame man, niet als de bloeddorstige plunderaar die volgens Perzische teksten de oude steden Bukhara en Samarkand als volgt waarschuwde: ,,Allen die zich overgeven zullen worden gespaard, maar wie zich verzet door middel van strijd of ongehoorzaamheid, zal worden afgeslacht.''

Baabar zegt dat het barbaarse imago van Dzjenghis Khan alleen blijft voortbestaan omdat ,,zijn geschiedenis is geschreven door zijn vijanden.'' De Mongolen waren geen schrijvers, en de enige uitgebreide kroniek van zijn tijd, `De Geheime Geschiedenis van de Mongolen', een 13de-eeuws verslag van het leven van Dzjenghis Khan, is eeuwenlang verloren geweest.

Maar zelfs nadat het begin 19de eeuw door een Russische diplomaat in China werd herontdekt, is de verspreiding ervan zorgvuldig in de hand gehouden, zodat het grootste deel van de verhalen over Dzjenghis Khan afkomstig is van de volkeren die hij onderworpen heeft. Hun historici schetsten het beeld van een briljante, maar opvliegende en wrede man.

Sinds 1982, toen Francis Woodman Cleaves de eerste gezaghebbende moderne versie van `De Geheime Geschiedenis van de Mongolen' publiceerde, voltrekt zich een langzame herwaardering van deze vreesaanjagende figuur. Een paar nieuwe details, zoals de klaarblijkelijke angst van Dzjenghis Khan voor honden, geven hem een menselijker uitstraling; historici buigen zich nu ook opnieuw over de aard van de Mongoolse samenleving en regering. Volgens nieuwe boeken genoten burgers in zijn rijk godsdienstvrijheid, verbood zijn bewind de slavenhandel en introduceerde het diverse belangrijke concepten, zoals diplomatieke immuniteit. De omvang van het rijk van Dzjenghis Khan leidde ook tot grotere contacten tussen het Oosten en het Westen, en deze uitwisselingen werden later door zijn kleinzoon Kublai Khan voortgezet.

Onderzoekers aan de Dzjenghis Khan Universiteit in Ulan Bator zeggen zelfs dat hij aan het eind van zijn leven probeerde zijn rijk om te vormen tot een beschaafde samenleving, gebaseerd op een wetboek dat de Grote Yassa heette en alle burgers – ook vrouwen – wettelijke rechten toekende.

Maar de verbazingwekkendste invoed die Dzjenghis Khan heeft uitgeoefend is die op de mondiale demografie. In februari 2003 schatte de studie `De genetische erfenis van de Mongolen', gepubliceerd in het Amerikaanse Journal of Human Genetics, dat Dzjenghis Khan vandaag de dag meer dan 17 miljoen directe afstammelingen heeft.

© New York Times Syndicate

Vertaling: Menno Grootveld