Dubbeltje op zijn kant

De uitslag van het referendum is op basis van opiniepeilingen volstrekt onvoorspelbaar. Zeker is dat meer informatie niet heeft geleid tot meer voorstanders. Integendeel.

Ruim anderhalf jaar geleden, toen de Tweede Kamer aankondigde een referendum te willen houden over de Europese Grondwet, was bijna de helft van de kiezers zeker van plan te gaan stemmen. Althans, dat zeiden ze toen Intomart daar in opdracht van NRC Handelsblad naar vroeg. Vorige week werd 800 kiezers dezelfde vraag voorgelegd.Toen zei minder dan een kwart zeker te gaan stemmen. Ook de categorie die `waarschijnlijk wel' gaat stemmen, is kleiner geworden. De animo neemt dus af.

Van degenen die dachten te gaan stemmen, was anderhalf jaar geleden 37 procent vóór de Grondwet, nu 34. Dat valt binnen de statistische marges van het onderzoek. Het percentage tegenstanders is meer dan verdubbeld, ten koste van de twijfelaars. Dat is wel significant. Voor- en tegenstanders houden elkaar inmiddels perfect in evenwicht. De uitslag valt dan ook op basis van de peiling absoluut niet te voorspellen.

Opmerkelijk is dat van alle leeftijdcategorieën vijftig-plussers het meest geneigd zijn om thuis te blijven: bijna 40 procent gaat zeker niet stemmen. Normaal gesproken zijn ouderen de trouwste stembusgangers. ,,Er is duidelijk sprake van matheid'', concludeert Cees van der Eijk, specialist in kiezersgedrag, die zijn hoogleraarspost in Amsterdam onlangs inruilde voor een in Nottingham. Weliswaar scoren ouderen ook het hoogst onder degenen die zeggen zeker wel te gaan stemmen, maar, zegt Van der Eijk, ,,je kunt er niet op rekenen dat ouderen als vanzelfsprekend gaan stemmen''.

De geneigdheid te gaan stemmen is onder voor- en tegenstanders van de Grondwet gelijk. Van der Eijk denkt dan ook dat een hogere of lagere opkomst niet veel effect zal hebben op de uitslag. Op basis van deze enquête lijkt een opkomst van een procent of 35 hem realistisch: precies tussen de opkomst van de laatste twee Europese verkiezingen. ,,Als van de huidige twijfelaars de helft gaat stemmen, geven die de doorslag.'' Onder de twijfelaars zijn vrouwen en jongeren ruim oververtegenwoordigd.

Politiek is het referendum ingewikkeld, want alle grote partijen zijn vóór. De aanhang van die partijen is echter verdeeld. Voor de CDA-aanhang die van plan is te gaan stemmen geldt dit het minst: bijna 60 procent voor, ruim 10 procent tegen, de rest twijfelt nog. Bij de VVD'ers ligt die verhouding op bijna 50 procent voor, bijna 30 tegen. In de sociaal-democratische achterban houden voor- en tegenstanders elkaar volmaakt in evenwicht.

Cees van der Eijk spreekt van een `redelijk geprononceerd regeringseffect': ,,De aanhangers van oppositiepartijen hebben bij het referendum twee verschillende stimuli: waar het referendum over gaat (de Grondwet), en de mogelijkheid om de regering een oplawaai te geven.'' Die werken voor aanhangers van PvdA en GroenLinks tegen elkaar in. ,,Het wordt dan van belang of het referendum een aura krijgt dat dit een gelegenheid is om de regering een oplawaai te geven. Dat hangt onder meer af van hoe elder statesmen – lees: Wim Kok – zich erover uitlaten.''

De inhoud van de Europese Grondwet blijkt bij de kiezers tamelijk onbekend. Nog geen 10 procent zegt er vrij veel of veel van af te weten, ruim 60 procent vrijwel niets of zeer weinig. Daar kijkt Van der Eijk niet van op. ,,Dat zouden ze ook hebben gezegd over een betrekkelijk abstracte grote hervorming in binnenlandse wetgeving, zoals de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek. Het zou me overigens verbazen als veel parlementariërs er veel van weten. Ik denk dat het gevoel `we zijn onvoldoende overtuigd waarom we voor of tegen moeten stemmen' een belangrijkere rol speelt. Men heeft niet het gevoel een samenhangend verhaal te krijgen.''

De voorstanders zeggen vaker dat ze er wat van afweten dan de tegenstanders, en die weer vaker dan de twijfelaars. De niet-stemmers achten zich het minst op de hoogte. Voor de campagnes is dan de vraag wat oorzaak en gevolg is: stemmen degenen die er wat van afweten vaker vóór, of zijn voorstemmers meer geneigd zich te verdiepen in de inhoud? In het eerste geval versterkt meer informatie vanzelf het ja-kamp.

Hoe dan ook moet die informatie dan wel aankomen. Op 23 april is huis aan huis een folder verspreid in opdracht van de referendumcommissie. Bijna 20 procent heeft hem niet ontvangen, en van degenen die hem wel heeft ontvangen, heeft de helft hem niet gelezen. Nog geen 10 procent heeft de hele folder gelezen. Dat zo veel mensen hem niet hebben ontvangen, hoeft overigens niet te liggen aan slechte bezorging. Volgens de referendumcommissie zou de folder aan alle huisadressen bezorgd moeten zijn, ook waar een nee/ja-sticker of een nee/nee-sticker op de brievenbus zit. Maar hij is niet geadresseerd aan individuele kiezers. Van der Eijk: ,,Je moet van zo'n folder niet te veel verwachten. Die zit tussen allerlei ongevraagd drukwerk van de slager en supermarkt.'' Wie de brievenbus leegt, kan immers al dat ongevraagde drukwerk direct weggooien, zonder dat andere kiesgerechtigden in huis het te zien krijgen.

Van der Eijk vindt het idee dat meer informatie leidt tot meer ja-stemmers overigens `een heel curieuze gedachte'. ,,Kennis kan evenzeer leiden tot een gefundeerd oordeel vóór of een gefundeerd oordeel tegen. Ik denk dat de meeste voor- en tegenstanders in de eerste plaats emotioneel gemotiveerd zijn.''

In elk geval vindt driekwart dat ze onvoldoende zijn geïnformeerd om een goed oordeel te kunnen vormen, niet-stemmers en twijfelaars in sterkere mate dan degenen die hun voorkeur reeds hebben bepaald. Van wie zou die informatie dan moeten komen: van de overheid, van de media, van politieke partijen, of van maatschappelijke organisaties? Een kwart van de kiezers geeft aan in geen van vieren vertrouwen te hebben, onder ouderen is dit zelfs een derde. Opmerkelijk is dat voorstanders vrijwel niet aangeven in geen van vieren vertrouwen te hebben. De voorstanders hebben ook verreweg het meeste vertrouwen in de overheid als informatieverschaffer. Bij de tegenstanders ontlopen media en maatschappelijke organisaties elkaar vrijwel niet: beide genieten veel meer vertrouwen dan de overheid. Twijfelaars hebben het meeste vertrouwen in de media. Dat politieke partijen in dezen niet worden vertrouwd is begrijpelijk: die zijn immers per definitie partijdig.