Chinees multiculti-park: `Rare jongens, die Oeigoeren'

In het multiculturele pretpark bij Shenzen heerst een uitgelaten sfeer. Over de belabberde mensenrechten spreekt niemand, merkt Willem Offenberg

Abullah Ali, een Oeigoerdanser uit China's verre westen, draagt een felgeel shirt van zijde, een pofbroek en glimmende laarzen. Hij is een `langneus' (Chinees scheldwoord voor westerling) en vermaakt zo, duizenden kilometers van zijn geboorteplaats vandaan, het publiek in een etnisch pretpark. Dat pretpark draagt de wonderlijke naam `Chinavolk Cultuurdorpen'.

Wonderlijk, want de Chinese autoriteiten hebben doorgaans niet zo veel op met de minderheden in hun land. Dat blijkt ook in het pretpark, gelegen tegen de grens met Hongkong. Hier herinnert niets aan de soms benarde positie waarin de 56 officieel erkende minderheden verkeren. Hier bevestigen ze louter China's ,, glorieuze bewijs van vijfduizend jaar multicultuur''. Tenminste, zo heet het in de folder.

In Nederland, welbekend met het lot van de Tibetanen, hoor je weinig over de Oeigoeren, een aan Turkse moslims verwante groep. Na de show nodig ik de Oeigoerdanser Abdullah Ali uit voor thee en vraag ik hem: ,,Gaat 't niet best tussen beide bevolkingsgroepen?'' Ali knikt instemmend maar kijkt meteen schichtig om zich heen naar Chinese toeristen aan andere tafeltjes. Veelbetekenend brengt hij de wijsvinger voor zijn mond.

Het drukbezochte park (vijftig miljoen bezoekers sinds de opening in 1989) is te vergelijken met Archeon bij Alphen. Met dit verschil: de Chinese weergave van het harde plattelandsleven van de minderheden is weinig realistisch.

MIAO-STAM

Wie niet beter weet, denkt al gauw dat het bij deze volkeren een dolle boel is. Leden van de Miao-stam wekken grote hilariteit door toeristen tegen betaling in een knalrode draagstoel op en neer te wiegen. Voor een klein bedrag mag iedereen zich een moment de Miao-bruid wanen die zo naar haar echtgenoot wordt vervoerd.

Dagjesmensen in groepen, de tourleider voorop met vlag, en veel gezinnen met één, zeer verwend kind vergapen zich aan kleurrijk uitgedoste telgen van hen volslagen onbekende volkeren, woonachtig in China's grensgebieden. En laten zich lachend fotograferen in Tibetaans kostuum of in goudbestikte gewaden van de Hui, Miao of andere minderheden. De sfeer is uitgelaten als in Marken of Volendam.

De toegangsprijs van 120 yuan (ongeveer tien euro) is pittig – een weekloon voor ongeschoolde fabrieksarbeiders. De drukte vandaag, zaterdag, getuigt van een bloeiende middenklasse van inmiddels 300 miljoen op een totale bevolking van 1,3 miljard Chinezen, van wie 1,2 miljard tot etnisch Han-Chinezen behoren. Alleen zij kunnen zich het dure kaartje veroorloven. Maar daar krijg je dan ook wat voor: behalve 24 op een schaal van 1:1 nagebouwde dorpen, talloze voorstellingen van folkloristische dansers, een Mongoolse Djenghis Khan-show met spectaculaire stunts op paarden is er een Eftelingachtig wildwatertraject en een miniatuurpark met onder andere een kopie van de boeddhistische grotten van Dun huang en het Potalapaleis van de Dalai Lama in Lhasa, Tibet.

Het naburige `Venster op de Wereld', een soort Madurodam op wereldschaal, wordt weliswaar beter bezocht, maar alleen in `Cultuurdorpen' kun je kennismaken met volkeren die zich duizenden kilometers verderop Han-Chinese transmigratie moeten laten welgevallen. En die, ver achtergebleven bij het wereldwonder van ontwikkeling aan China's oostkust, de bijrol van toeristische attractie krijgen toebedeeld. Cynici beschouwen deze folkore-kermis als circus en peepshow ineen : apies kijken, naar dansers als Abdullah Ali die kunstjes doen. ,,Die rare Oeigoeren toch'', schudden Chinese toeschouwers het hoofd.

Zo is er bijvoorbeeld een moskee nagebouwd. Maar wie het koepelvormige gebouw met één minaret betreedt, treft geen serene rust maar een markt waar je massagerollers en kleurige stoffen koopt, naamstempels kunt laten maken of je naam in Chinese karakters op een zijden rol, beplakt met rijstpapier, kunt laten kalligraferen. Eerbied voor de moslimcultuur is ver te zoeken. Om maar te zwijgen van elke mogelijke verwijzing naar de mensenrechten van deze minderheden.

Censuur voorkomt dat men iets afweet van de slachting in Ghulja, waar acht jaar geleden een tiental tegen Chinese onderdrukking demonstrerende Oeigoeren de dood vond en honderd betogers gewond raakten. En al evenmin van de terroristische bomaanslagen, enkele jaren terug, waarbij onder meer een exploderende truck met dynamiet in de binnenstad van Urumqi, hoofdstad van de westelijke Oeigoerprovincie Xinjiang, een waar bloedbad aanrichtte.

MEISJES VAN PLEZIER

Het Tarimrestaurant, genoemd naar de veelbezongen rivier in Xinjiang, is een van de drie grote moslim-eettenten in deze stad met naar schatting zevenduizend ingezetenen van Oeigoerse komaf. Het is er stampvol. Twee Afrikaanse moslims vermaken zich met Chinese meisjes van plezier. Achter in de zaal hangt een afbeelding van oud-Oeigoerleider Kerim, met kalot, samen op de foto met Mao. Op het podium dansen Oeigoerse schonen net zo bevallig op eigen volksmuziek als op Bollywoodhits of, opmerkelijker, op meezingers gecomponeerd door Russen en Chinezen, hun vroegere en huidige overheersers. De luidruchtige eters besteden weinig aandacht aan deze gracieuze danseressen.

Pas als het tweetal meterslange Chinese prenten bij opbod aanbiedt, keren de hoofden richting podium. De originele doeken gaan voor slechts enkele tientallen euro's van de hand. De opbrengst gaat naar liefdadigheid.

Toch, is het ondenkbaar dat dit geld naar de gewapende strijd gaat voor een vrije republiek Oost-Turkestan? Geen van de gasten maakt zich er druk om. Roerig Xinjiang is hier heel ver vandaan.