China bepaalt de prijs van globalisering

China bedient de bestrijders van de armoede op hun wenken. Immers, in 2000 stelde de VN zich als doel dat de hoeveelheid mensen die moeten leven van minder dan 1 dollar per dag in 2015 gehalveerd zou zijn. Dat zou volgens de planners alleen maar kunnen, herinnert het Duitse maandblad Cicero zich, als het China zou lukken bijna al zijn inwoners uit de categorie `allerarmsten' te bevrijden.

Het ziet er naar uit dat China slaagt met vlag en wimpel. Want, zo schrijft het blad, ,,hoewel de economische groei in China ongelijk is verdeeld, is het inkomen van de allerarmsten de laatste twintig jaar verviervoudigd''. Dat betekent dat de Chinezen de wereld rechtvaardiger maken, zij het ,,op onze kosten''.

Hoe het ook zij, Nobelprijsdragers economie als George Akerlof en Milton Friedman zijn het er volgens het blad wel over eens, dat het inkomen per hoofd in China en India vlugger groeit dan in de geavanceerde economieën.

Zelfs de leider van de globaliseringscritici, Joseph Stiglitz, weet het zeker: ,,Zelfs als China niet meer zo hard groeit als de laatste 25 jaar zal de ongelijkheid tussen China, de EU en de VS, vergaand verminderen''. Dat moet de critici van de globalisering wel tot nadenken stemmen, vindt het blad. Want de herverdeling van de rijkdom die ze nastreven blijkt tot stand te komen door de globalisering die ze verafschuwen.

Het is de vraag of dat zo'n ramp is. Want, schrijft Jeffrey Maderick in het tweewekelijkse New York Review of Books, er zijn nog maar weinig economen die geloven dat economische groei alleen zaligmakend is voor de ontwikkeling van de samenleving, of dat we gelukkiger worden van een hoger bruto binnenlands product. Dat is volgens de auteur vooral te danken aan het werk van de nu 97-jarige econoom John Kenneth Galbraith.

Veel van de thema's die Galbraith van 1950 tot 1980 behandelde in boeken voor een groot publiek zijn volgens de auteur nog steeds actueel. Dat geldt onder meer voor het idee dat consumenten niet noodzakelijkerwijs rationeel zijn en dat ze vaak niet handelen op een manier die hun geluk vergroot, ,,in tegenstelling tot de veronderstellingen van de orthodoxe economie''. Ook de notie dat financiële markten lang niet zo efficiënt en rationeel zijn als ze pretenderen heeft veel terrein gewonnen dankzij het werk van Galbraith.

Maar diens belangrijkste verdienste is volgens de auteur zijn niet aflatende betoog dat publieke voorzieningen als onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur onontbeerlijk zijn voor economische groei.

Dat zulke voorzieningen goed zijn voor het globaliseringsgehalte van een land is voor het Amerikaanse kwartaalblad Foreign Policy zo zeker als twee maal twee vier is. Het blad schrijft dat in een toelichting op de zogenaamde Globaliserings Index, die het voor het vijfde achtereenvolgende jaar publiceert. Het blad meet het gehalte aan globalisering van een land af aan cijfers over indicatoren als handel, directe buitenlandse investeringen, het aantal internetgebruikers en internetservers, internationaal toerisme en deelname aan internationale politieke instellingen.

Gemeten naar laatst genoemde factor scoort een land als de Verenigde Staten bijzonder laag. Ook op het gebied van buitenlandse investeringen en handel blijft het land ver achter bij landen als Singapore, Ierland en Nederland. Een belangrijke reden voor die achterstand is volgens het blad dat de VS een wereld op zichzelf is.

De Chinezen zijn dol op het begrip globalisering. Uit recent onderzoek blijkt volgens het blad dat negentig procent van de Chinezen van mening is dat de groei van de handel en van zakelijke contacten ,,zeer goed'' is voor hun land. In Amerika is het slechts 78 procent van de bevolking dat er net zo over denkt, schrijft het blad.

Globalisering? Graag, maar dan wel op onze voorwaarden en in ons tempo, vinden de Chinezen. Want, schrijft het Britse weekblad The Economist, ,,ze willen niet gezien worden als mensen die buigen voor buitenlandse druk om de yuan te revalueren, en hebben er een hekel aan om speculanten te belonen''.

Het blad bespreekt enkele scenario's en voorspelt dat de Chinezen pas een beslissende stap zullen zetten op een moment dat niemand het verwacht en dat de gevolgen voor de wereldeconomie minder groot zullen zijn dan iedereen denkt. Revaluatie van de yuan zou het Amerikaanse tekort op de lopende rekening van 600 miljard dollar nauwelijks kleiner maken. In ieder geval ziet het er niet naar uit dat de wereldeconomie een vrije val gaat maken door revaluatie van de yuan, zo sust het blad de verhitte gemoederen.

Het Amerikaanse weekblad BusinessWeek is er niet gerust op. Want, schrijft het in een hoofdredactioneel commentaar, in bijna alle sectoren is het China dat bepaalt hoeveel een product mag kosten. Of het nu gaat om de fabricage van slaapkamermeubilair of van onderdelen voor telecommunicatie-apparatuur, de producent staat dagelijks onder druk om zijn prijzen 30 tot 50 procent te verlagen tot ,,de Chinese prijs''. Hoe ze ook hun best doen, zo voorziet het blad, de Amerikaanse producenten zullen niet kunnen opboksen tegen het economische geweld uit China.