Anoria nerveusa

Een studente geneeskunde doet onder pseudoniem verslag van haar stage in het ziekenhuis. Vandaag over een broodmagere patiënt met een gat in zijn knie.

,,Hechtwond op kamer drie.'' Machteld, de eerstehulparts, knikt me bemoedigend toe. ,,Het ging vorige week prima, dus dat lukt je wel alleen, hè?'' Verschrikt kijk ik op van mijn boek.

De afgelopen weken heb ik zeker vijftien zeemlappen aan elkaar gehecht. Pas nadat ik vorige week mijn `examen-zeemlap' geheel foutloos hechtte, mocht ik van Machteld op een patiënt aan de slag. Het hechtwondje was nog geen 3 centimeter groot, maar kostte me ruim een half uur. Trillende vingers, het zweet op mijn voorhoofd. Gelukkig bleef Machteld al die tijd onverstoorbaar met de patiënt keuvelen.

Nu moet ik die afleiding zelf verzorgen, besef ik met een schok. Ik wil protesteren, maar kamer drie lonkt te veel. Ik recht mijn rug, en loop er binnen.

Dimitri, een tengere jongen van een jaar of twintig, staart me nerveus aan vanaf de behandeltafel. Hij haalde zijn knie open na een val van zijn fiets. Als ik de verdovingsspuit pak, worden zijn ogen groot en begint zijn hele been te trillen. Ik aarzel even: wie moet wie nu geruststellen?

Dan roep ik mezelf tot de orde `Daadkracht, Anne. Jíj bent hier de dokter!' En met overtuiging zeg ik: ,,Ga maar achterover liggen. Even twee vervelende prikken, maar daarna voel je niets meer.'' Zodra hij ligt, fixeer ik zijn been met mijn elleboog. Zo snel mogelijk spuit ik een dubbele dosis verdoving rond de wond. Hij zucht opgelucht. Ik zucht onhoorbaar: we kunnen beginnen.

Met opzet zet ik de hoofdsteun helemaal plat. Zonder zijn observerende ogen gaat het hechten vast een stuk beter. Blijft het probleem van dat nerveus vibrerende been. Ik heb al mijn concentratie nodig voor mijn hechtsteekjes, maar besef dat een afleidingsmanoeuvre noodzakelijk is. Gelukkig blijkt Dimitri een druk-de-play-knop-maar-in-enik-praat-type: al na twee vragen zit ik midden in zijn levensverhaal. Met zijn Russisch-orthodoxe vader en joodse moeder kwam hij vijftien jaar geleden naar Nederland. Hij vertelt over zijn open opvoeding, zijn obsessie voor theater en zijn grote droom: acteur worden. Voor ik kan reageren, klinkt plotseling zijn stem somber. ,,Maar ja, dan moet ik eerst natuurlijk nog wat afvallen.''

Van schrik steek ik de naald scheef in de wond en staar stomverbaasd naar het magere lichaam erboven. Ik gok dat hij de 60 kilo niet eens haalt. ,,Afvallen? Maar hoeveel...''

,,56,4'', antwoordt hij toonloos. ,,Ik wil er nog 3 kilo af.''

Ik ben nu compleet mijn tekst kwijt. En zelfs te verbaasd om me druk te maken over die scheve steek. Hoe moet ik hier nu psychologisch verantwoord op reageren? De vier strategieën die in me opkomen, lijken allemaal misplaatst. De rationele: `Je Body Mass Index is 19. Dus je hébt al een ondergewicht' (alsof BMI-waarden hem iets zeggen). De psychologische: `Waarom dénk je dan dat je te dik bent?' (en wat als er trauma's bovenkomen?) De manipulatieve: `Ik weeg 70 kilo. Hoeveel vind je dat wel niet?' (dan lijkt het net of ík degene ben met een complex). En zeker de impulsieve: `Als ik íets onaantrekkelijk vind, is het wel iele mannen.' (`Je staat niet in de kroeg, Anne. Dit is geen tekst voor een dokter').

Vertwijfeld begin ik mijn scheve hechtsteek weer los te pulken. ,,Maar... ben je dan serieus op dieet?'' Dimitri knikt trots. ,,Jahaa: geen boter, geen saus, geen alcohol, geen suiker.'' Dan ziet hij mijn bezorgde gezicht, en voegt haastig toe: ,,Maar ik eet heus wel genoeg: drie boterhammen per dag en 's avonds warm. Ik heb geen anoria nerveusa of zo!''