Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Als je een kerk, een katholieke of een orthodoxe, wil beginnen of als er bij je is ingebroken en je mist spullen waar je aan gehecht bent, dan is de buitenmarkt ten zuiden van de Ecsery op zaterdagochtend the place to be. Op een kaal stuk land naast de snelweg naar Szeged strijkt dan een karavaan handelsreizigers, zigeuners, huisraad verkopende scharrelaars, helers en andere vage figuren neer, die de waar op autodaken, in achterbakken en in het zand uitstalt. Het begint om vier uur 's morgens.

Er zijn weinig plekken in Hongarije waar ik me zo thuis voel als op die hobbelige vlakte tussen de ongeschoren jager-verzamelaars die alles wat los en vast zit in overjarige Mercedesbussen van Moldavië tot aan de grens met Slovenië bij elkaar scharrelen. In tableaux ligt het uitgestald of het is gewoon op een berg geplempt: door houtworm aangevroten Thonet stoelen, smeedijzeren trapleuningen, machine-onderdelen, verroeste ploegen, gebloemde wastafels, messing deurkrukken en gordijnhangers, naar reuzel stinkende opgezette wilde zwijnen, bridgetafeltjes, vale panterhuiden, uit kogelhulzen vervaardigde paraplubakken, sabels en degens, slechte schilderijen, doorzakkende boerenbanken, paleishekken, kluwens hertengeweien, nep-ikonen, kapotte glas-in-lood ramen, losgewrikte Mariabeelden en versplinterde altaren; in totaal een verzameling die eruit ziet alsof een meute Spaanse anarchisten is losgelaten op een afgelegen klooster.

Als je door je oogharen kijkt kun je op dat stuk niemandsland aan de rand van Boedapest bij zonsopgang een vage resonantie van de grootsheid en rijkdom van het Habsburgse rijk waarnemen. Want alles wat echt mooi is stamt uit het pre-Trianon tijdperk, toen de goudmijnen nog op het Hongaarse deel van de dubbelmonarchie lagen, de landheren dankzij de graanoogsten geld als water verdienden, en de bouwkoorts zo intens was dat de oude magnaten en de nieuwe rijken full-time architecten in dienst hadden omwille van de benodigde stadspaleizen, jachtsloten en landhuizen.

Buiten een mahoniehouten lift is mijn grootste vondst tot nu toe een twee meter hoog bronzen beeld van een kraanvogel. Hij lag verlaten op zijn zij in het zand achteraan de markt. Hij had lange, kwetsbare poten. Een dikke zigeuner stond er in een wit overhemd een sigaret bij te roken. Net als van ooievaars heb ik altijd van kraanvogels gehouden. Het mannetje gaat voor het door hem begeerde vrouwtje staan dansen, een tikkeltje onhandig, met sprongetjes en uitslaande vleugels. Als zij reageert en mee op en neer gaat springen, vormen ze een paar voor het leven. Waar de rest van de natuur – denk aan de overspelige leeuwen, de geile apen, het vunzige wrattenzwijn – vooral polygamie ten voorbeeld stelt, steken de kraanvogels en de ooievaars ons een hart onder de riem: monogamie is mooi. Samen op een takkennest zitten, kikkers eten en de boel onder schijten. Dus ik vroeg de dikke zigeuner: ,,Wat kosten vogel?''

,,500.000 forint''

Toevallig weet ik het woord in het Hongaars voor kraanvogel (dáru) maar dat gebruikte ik in de onderhandelingen opzettelijk niet omdat er een te grote interesse uit zou blijken. Ik bleef het kleinerende vogel (madár) gebruiken voor het prachtige ding. Hij had mooie fijne veertjes, die alle schoonheid, decadentie en champagne van de belle epoque in zich droegen. Van welke woeste feesten, van welke hertoginnelijke ondeugden zou deze vogel getuige zijn geweest? Zijn nek, kop en snavel waren discreet omhoog gericht.

Terwijl ik een sigaartje rookte en de prijs omlaag joeg, dacht ik natuurlijk: ,,Waar zou dat ding gestolen zijn?'' Maar de hebberigheid was groter dan het geweten. De poten waren met nogal lompe klinknagels aan de romp verbonden. De rechtervoet was afgebroken. Waarschijnlijk was dat gebeurd toen hij in een maanloze nacht met een ketting door een Lada met spinnende wielen van zijn sokkel was getrokken. Op mijn vraag waar de vogel vandaan kwam werd geantwoord: ,,Van het kasteel van een graaf.''

,,Welk kasteel?'' vroeg ik.

Maar de mij inmiddels omringende zigeunerfamilie haalde de schouders op. Dat wist niemand. Uiteindelijk verliet ik zegevierend de markt, 120.000 forint lichter, met drie dragers die de kraanvogel als een reusachtige gewonde soldaat achter mij aanzeulden. Alle toeristen in korte broek met minuscule vaasjes en frutselige hebbedingetjes in de weifelende hand moesten wijken om het kolossale topstuk Hongaars beeldhouwwerk te laten passeren. Als een Julius Ceasar die met een overwinnigsnaald uit Egypte naar Rome terugkeert schreed ik over de markt. De Hollander had weer toegeslagen.

Op oude zwart-wit foto's van ons huis staat onder de kastanjes een levensgroot bronzen beeld van een burlend hert. Daar precies op diezelfde plek, waar eerst dat onbeholpen, protserige macho symbool van jacht en succes stond, zou nu de kraanvogel verrijzen; verfijnd symbool van liefde en trouw. Voordat we 'm gingen repareren en op een sokkel hijsen, vroeg ik Géza, onze architect, wat hij van de herkomst van de kraanvogel dacht. Géza was er van overtuigd dat 'ie gestolen was uit de dierentuin van Boedapest en het lastige is: ik ben een afficionado van die oase in de stad.

,,Goed Géza, wil je bellen en vragen of ze een twee meter hoge bronzen kraanvogel kwijt zijn,'' zei ik, ,,maar noem mijn naam niet.'' Géza belde. Met een mengeling van bezitterige angst en satisfactie over de nobelheid die toch ook in mij huist zat ik er naast. De dierentuin miste geen kraanvogel. Mooi. Géza belde een kennis bij de Hongaarse monumentenzorg. Nergens in het land werd een bronzen kraanvogel vermist. Van bij het grofvuil gevonden natuursteen liet ik een sokkel metselen waar de `Dáru' op geplaatst werd. In de daarop volgende maanden meldde zich niemand om het voorvaderlijke beeld op te eisen.

Afgelopen week kwam een vriend langs die antiquair is in Boedapest en gespecialiseerd in Hongaarse art nouveau, het tijdperk waaruit naar mijn mening de vogel stamde. We stonden op het terras, in de ochtendzon. Ik wees naar het onovertroffen, ranke beeld onder de kastanjes en vroeg terloops: ,,Waar denk je dat die vandaan komt?''

,,Egypte.''

,,Egypte?!''

,,Al dat soort dingen komt uit Egypte tegenwoordig'', zei hij zonder aarzeling, om vervolgens de genadeslag uit te delen: ,,Of uit Thailand.''

,,Maar dat kan niet'', wierp ik zwakjes tegen. De gedachtestap dat het niet een unicum uit een onmetelijk, vernachlässigt park van een Esterházy, een Draskovich, een Pallavicini, een Lobkowicz of een Blanckenstein betrof, maar zijn oorsprong had in een industriële buitenwijk van Kairo, was te groot voor mij. Noord Afrika, dáár overwinteren de échte kraanvogels. Gelukkig wist ik ineens waarom het niet kon!

,,Voor 120.000 forint kun je dat ding toch niet vanuit Egypte naar Hongarije brengen'', zei ik triomfantelijk.

,,Nee, natuurlijk'', antwoordde hij kalm: ,,Dat heb je goed gezien. Daarom komen ze ook niet alleen, maar met containers vol hierheen; tientallen, honderden tegelijk.''