Vrouwen, kom op voor jezelf

Vorige week vrijdag diende de Indiase premier Manmohan Singh voor de komende zitting van het Indiase parlement een `vrouwenwet' in, die beoogt éénderde van de zetels in de wetgevende vergadering van India te reserveren voor vrouwen. Laten we hopen dat de Indiërs positiever op dit voornemen zullen reageren dan de Welsh. Bij de algemene verkiezingen in Groot-Brittannië eerder deze maand stemden de inwoners van het plaatsje Blaenau Gwent tegen de vrouwelijke Labour-kandidaat, ten gunste van Peter Law, een ontevreden voormalig Labour-lid van het parlement van Wales, die campagne had gevoerd met een tegen de positieve discriminatie van vrouwen gericht programma.

Beleid zoals dat van Labour, dat werkt met kieslijsten waarop uitsluitend vrouwen voorkomen, of zoals dat wordt voorgesteld in de nieuwe wet in India, is van cruciaal belang als we de ingebakken en geïnstitutionaliseerde ongelijkheid tussen man en vrouw willen uitbannen. Want die ongelijkheid zal beslist niet vanzelf verdwijnen.

Het rapport over `De Kloof tussen de Seksen' van het World Economic Forum, dat deze week in Londen werd gepubliceerd, is bijzonder deprimerend leesvoer. Tussen de meer voor de hand liggende conclusies – dat de Scandinavische landen mijlenver voorliggen op de rest van de wereld als het gaat om de deelname van vrouwen aan de politiek (bijna 40 procent van de Scandinavische parlementsleden zijn vrouwen) of dat de Arabische landen de laagste percentages vrouwelijke politici kennen – bevindt zich een aantal schokkende feiten. Het rapport onthult dat 90 procent van de Amerikaanse aids-slachtoffers van onder de twintig tot het vrouwelijk geslacht behoort.

Het rapport toont ook aan dat Zwitserland, Italië, Malta en Griekenland minder goed scoren op het gebied van de gelijke behandeling van man en vrouw dan de meeste Oost-Europese en Latijns-Amerikaanse landen, terwijl zwangere vrouwen in Afrika 180 maal méér kans maken om te overlijden aan zwangerschapscomplicaties dan West-Europese vrouwen. Er is volgens het rapport geen enkel land ter wereld waar vrouwen géén tweederangsburgers meer zijn.

Nog schokkender is uiteraard dat er zo weinig wordt gedaan om de kloof te dichten. Hoewel de Britse regering belangrijke wetten heeft ingevoerd die de gelijke behandeling bevorderen en de discriminatie naar geslacht bij openbare instanties afschaffen, concludeert het rapport bijvoorbeeld dat Groot-Brittannië nog steeds minder goed presteert op het punt van economische kansen voor vrouwen. En hoewel Nederland het grootste verschil van heel Europa kent tussen de beloning van mannen en vrouwen, doet het Nederlandse kabinet daar vrijwel niets aan.

Sommige regimes lijken er alles voor over te hebben om de situatie te laten verslechteren. Door flink in de budgetten voor kinderopvang te snijden en door rechters die tegen abortus zijn voor benoeming in het Hooggerechtshof voor te dragen, lijkt de regering-Bush vastbesloten de rechten uit te hollen die de Amerikaanse vrouwen de afgelopen decennia hebben weten te veroveren. En begin alstublieft niet over paus Benedictus XVI. Zijn opnieuw uitgesproken voornemen om vast te houden aan het anti-abortus- en anticondoombeleid van de katholieke kerk zal de levens van veel vrouwen in een groot deel van de ontwikkelingslanden nog verder verwoesten.

Maar als we erkennen hoe slecht de zaken ervoor staan, hoe kan het dan dat zo weinig vrouwen er iets aan doen? Is het verbranden van beha's werkelijk ingeruild voor het winkelen bij Manolo Blahnik? Is Paris Hilton het nieuwe vrouwelijke icoon? Heeft het politieke inderdaad plaatsgemaakt voor het persoonlijke? Of zijn de meeste vrouwen aan het eind van de dag gewoon te moe, te slecht betaald en te uitgeput om deze schijnbaar eindeloze strijd te kunnen voortzetten?

Dat laatste is waarschijnlijk het geval, hoewel een steeds afstompender consumptiemaatschappij voor een deel eveneens als schuldige kan worden aangewezen. De stressniveaus van vrouwen in het Westen bevinden zich op een historisch hoogtepunt, grotendeels als gevolg van het feit dat ze minder verdienen (vrouwen krijgen gemiddeld zo'n 75 procent van het loon dat mannen ontvangen voor hetzelfde werk), maar thuis méér moeten doen.

Die noodlottige combinatie eist zijn tol. En misschien weten vrouwen gewoon niet eens hoe slecht de situatie is, omdat de media er weinig over berichten. Een paar maanden geleden werd ik benaderd door een tv-zender die met mij wilde samenwerken. ,,Ik zou graag iets over het feminisme doen'', zei ik. ,,Het feminisme?'', kreeg ik ten antwoord, ,,dat is iets van gisteren.''

Maar dat is het natuurlijk niet. Het feminisme is nog steeds hard nodig, zowel vandaag de dag als in de toekomst. Want gelijke behandeling heeft niet alleen met rechtvaardigheid te maken – met gelijke kansen voor man en vrouw, en met de mogelijkheid dat zonen en dochters dezelfde keuzes kunnen maken – maar ook met ons collectieve eigenbelang en onze veiligheid, ongeacht ons geslacht.

In de ontwikkelingslanden bestaat bijvoorbeeld een duidelijk en onbetwist verband tussen het opleidingsniveau van vrouwen en de kindersterfte. In het geavanceerde deel van de wereld brengen landen die het potentieel van één helft van hun bevolking niet volledig benutten hun concurrentiekracht en hun toekomst op de langere termijn in gevaar. Uit een onderzoek in Bolivia, Maleisië en Kameroen – drie heel verschillende landen – blijkt dat als vrouwen meer te zeggen hadden over de besteding van gemeenschapsgeld, zij meer aan de verbetering van het onderwijs en de gezondheidszorg zouden willen uitgeven dan mannen. De kloof tussen de seksen groeit en dat is slecht voor ons allemaal.

Dit jongste rapport over de situatie op dit gebied rechtvaardigt onmiddellijk ingrijpen. Een beleid van positieve discriminatie is nodig om door het alomtegenwoordige glazen plafond heen te kunnen breken. Zulk beleid zou een verplichting voor bedrijven kunnen omvatten om het aantal vrouwen in leidinggevende functies openbaar te maken, evenals quota's voor vrouwelijke politici. Toereikende kinderopvangvoorzieningen, moederschapsverlofregelingen voor vrouwen die kinderen willen (in de Verenigde Staten bestaan dergelijke regelingen in het geheel niet, waardoor het land op dit gebied de gelijke is van Swaziland, Papoea Nieuw-Guinea en Lesotho) en pensioenmaatregelen die de gelijke behandeling bevorderen, zijn allemaal mogelijkheden om veranderingen ten gunste teweeg te brengen in de geavanceerde landen.

In de ontwikkelingslanden zou het beleid onder meer kunnen bestaan uit gerichte investeringen in meisjesonderwijs en gezondheidszorg voor vrouwen, een herwaardering van de door het IMF en de Wereldbank opgelegde saneringsmaatregelen (die verhoudingsgewijs meestal schadelijker voor vrouwen blijken te zijn dan voor mannen), steun voor initiatieven van onderop om de levens van vrouwen en meisjes te verbeteren, de oprichting van vakbonden, en de invoering van programma's die vrouwen weerbaarder maken, zoals microkredietfaciliteiten en assertiviteitstrainingen. Allemaal maatregelen die de gelijke behandeling van man en vrouw bevorderen en de kloof tussen de seksen kunnen vernauwen.

En wij vrouwen kunnen het niet aan anderen overlaten. De ervaring wijst uit dat zij ons niet zullen helpen. Het is tijd dat wij opnieuw zelf in actie komen.

Noreena Hertz is hoogleraar mondiale politieke economie aan de Utrechtse School voor de Economie van de Universiteit Utrecht en tevens verbonden aan de Universiteit van Cambridge.