Troostlied

Guus Middag luistert naar Nederlandstalige liedjes. Vandaag naar `Geef mij je angst', een lied van wijlen André Hazes waarmee Guus Meeuwis een hit heeft.

Een paar weken geleden zag ik in het tv-programma Kopspijkers iemand Guus Meeuwis nadoen. Ik hoorde hem zingen: `Ik zat in een dip,/ jij lag op de stip,/ dat is toch klote.' En: `Ik besefte toen pas,/ die Hazes was/ een hele grote.' Het was duidelijk als een parodie bedoeld, maar van wat? Bij navraag bleek het te gaan om een lied dat ik al lang had behoren te kennen: `Geef mij je angst', al wekenlang hoog in de hitlijsten. Een lied van Guus Meeuwis, maar oorspronkelijk, in 1984, van André Hazes.

In de parodie wilde Kopspijkers de indruk wekken dat Meeuwis een lijkenpikker was. Hij zou de dood van Hazes nu gebruiken voor eigen gewin. `Ik zing nu je lied/ en krijg er een hoop voor terug./ Ik heb weer succes,/ al is het dan over jouw rug', zong de namaak-Meeuwis. In werkelijkheid nam de echte Meeuwis het lied `Geef mij je angst' al twee jaar geleden op, als eerbetoon aan de door hem bewonderde Hazes, bij gelegenheid van diens vijfentwintigjarig artiestenjubileum. In werkelijkheid was het Rachel, de weduwe van Hazes, die Meeuwis vorig jaar vroeg dat lied nog eens te zingen bij de uitvaartplechtigheid in de Arena. En in werkelijkheid was het het grote publiek dat daar zoveel navraag naar deed, dat er tot een nieuwe uitgave werd besloten, met een enorm verkoopsucces als gevolg.

Hoe zou dat komen? Het komt door Udo Jürgens en Michael Kunze, die ooit de breekbare melodie verzonnen. Het komt door Guus Meeuwis en pianist Jan Willem Rozenboom die de pompeuze levenspopversie van Hazes met zoetelijke achtergrondkoortjes, sissende zweepslaggeluiden en hoge uithalen terugbrachten tot een heel eenvoudig en ingetogen luisterlied. Daardoor komt de tekst, van Hazes zelf, veel beter tot zijn recht.

Met afscheid nemen, of sterven, of een uitvaartplechtigheid in een voetbalstadion heeft het lied verder niets te maken. Het is een relatielied, al vanaf de eerste regel. `Je zegt: ik ben vrij./ Maar je bedoelt: ik ben zo eenzaam.' De man die hier aan het woord is, voelt wel aan dat deze vrouw niet zo vrolijk is als ze doet voorkomen. `Je voelt je heel goed, zeg jij, maar je mond begint te trillen./ Ik weet dat ik jou kan helpen, maar je moet zelf willen.'

Misschien zien ze elkaar voor het eerst, misschien hebben ze al eerder iets met elkaar gehad. Zij is bang zich (opnieuw) aan hem te geven, hij wil haar geruststellen. `Geef mij nu je angst, ik geef je er hoop voor terug.' Dat klinkt als een aantrekkelijk aanbod. `Geef mij nu de nacht, ik geef je een morgen terug.' Dat ook. `Zolang ik je niet verlies, vind ik heus wel een weg met jou.' Samen komen ze er wel uit, denkt hij.

Of zij erop ingaat, vermeldt het lied niet. Maar alleen al de suggestie van een gelukkige oplossing moet velen hebben aangesproken. In een bomvolle Arena, met de kist op de middenstip, sfeervol uitgelicht, moet dit relatiecrisislied als een universeel troostlied hebben geklonken. Na regen kan er altijd zonneschijn komen. En het moet zijn opgevat als een afscheidslied. `Geef mij nu je angst, ik geef je er hoop voor terug' zong de overledene nog een keer, via zijn vertolker Guus Meeuwis. `Kijk me nu eens aan en zeg maar niks, je mag best zwijgen.' Het moet zijn begrepen als een laatste groet, bij een laatste reis.

Een fragment van `Geef mij je angst' is te beluisteren via www.nrc.nl/ik