Spelen voor de duivel

In de serie Moderne klassieken deze week `Todo modo' van Leonardo Sciascia (vertaald uit het Italiaans door Jenny Tuin en gereviseerd door Linda Pennings, Serena Libri 156 blz. 16,75 euro).

Welbeschouwd heeft de Siciliaanse prozaïst en essayist Leonardo Sciascia (1921-1989) nooit een detective of een literaire thriller geschreven. Hoewel zijn romans allerlei elementen en constructieprincipes bevatten van dat genre, zijn ze eerder te beschouwen als in verhaalvorm gevatte studies over macht en moraal, over de asymmetrische verhouding tussen de bestaande rechtsorde en een abstracte rechtvaardigheid. Bovendien ontberen ze allemaal een ontknoping – sterker nog, aan het einde is er altijd sprake van een gordiaanse knoop van belangenverstrengelingen en sociaal-politieke imbroglio's. Het mysterie blijft onopgehelderd en de status quo gehandhaafd, zoals ook in werkelijkheid vaak het geval is wanneer de maffia of corrupte machthebbers betrokken zijn bij een misdrijf in Italië. Als zodanig zijn Sciascia's romans antidetectives van een geëngageerd schrijver.

Dit geldt ook voor Todo modo (1974; nu in een gereviseerde vertaling), waar Sciascia het raamwerk van de speurdersroman vooral gebruikt als kapstok voor allerlei filosofische bespiegelingen. Behalve drie haast terloops gepleegde moorden is er namelijk sprake van een retorisch duel tussen de erudiete en satanisch sluwe priester don Gaetano en een beroemde, door existentiële twijfels bevangen kunstschilder, de ikfiguur van het boek. Het slachttoneel is de Hermitage van Zafer, een door don Gaetano geleid hotel dat de bezoekers de kans biedt geestelijke oefeningen te ondergaan. Wanneer de kunstschilder hier per toeval arriveert, verwacht don Gaetano juist een groep hoogwaardigheidsbekleders en andere vertegenwoordigers van de leidende klasse, die gezamenlijk een weekje in retraite gaan. Al snel beseft de kunstschilder, die ook onder pseudoniem detectiveromans publiceert, dat de geestelijke oefeningen voor deze heren een excuus zijn om hun lusten bot te vieren (met overvloedig voedsel en een vijftal dames) en bepaalde rekeningen te vereffenen. Hij waant zich in `Dante's hellekring van de dieven' en het plein waarop men samenkomt om te bidden ziet hij als `een soort weefraam waarop een dicht stramien van bedrog en verraad werd gespannen'. Op deze plek valt tijdens de `rozenkransmars' dan ook het eerste slachtoffer. Het cynisme glorieert: precies op het moment dat men zijn naastenliefde belijdt in een eendrachtig gebed, pleegt een van de 'brave en vrome huisvaders' een moord.

De officier van justitie die het onderzoek naar de moord leidt, stuit op een muur van stilzwijgen. Het enige wat hij te horen krijgt, is dat het slachtoffer `een voortreffelijk man' was, hetgeen ook beweerd wordt van de tweede dode, een advocaat die waarschijnlijk de moordenaar wilde chanteren en daarvoor moet boeten. De officier beseft dat het vinden van een schuldige een onmogelijk karwei is: als je aan één draad trekt, wordt de knoop almaar strakker. Alle aanwezigen zijn vazallen van de staat, en de staat is een gewetenloze misdadiger die overal met zijn tentakels in het rond graait. De vazallen haten elkaar en moorden elkaar uit, maar tegelijk houden ze tegenover de buitenwereld elkaar de hand boven het hoofd.

Don Gaetano, de gastheer die de geestelijke oefeningen leidt, weet dit, maar keurt die onchristelijke houding niet af. De schrandere geestelijke speelt voor duivel: hij provoceert en manipuleert de aanwezige machthebbers, maar neemt ze tegelijkertijd in bescherming. Voor hem is elk mens even (on)schuldig omdat hij niet verantwoordelijk is voor zijn daden. Alleen God wikt en beschikt. Ook al omarmt de katholieke kerk de schurkachtige autoriteiten, ze heeft altijd schone handen, omdat ze slechts een werktuig van God is. Diametraal tegenover deze mystieke en boosaardige opvatting staat de levenshouding van de kunstschilder, die het feilen van de mens beschouwt als een uitvloeisel van de vrije wil en niet van Gods ondoorgrondelijke wegen. Waar don Gaetano zich verschanst achter een rookgordijn van citaten, paradoxen en spitsvondigheden, daar stelt de kunstschilder een scherpe blik tegenover, gelijk aan de antiretorische en anti-idealiserende schilderkunst van Caravaggio. Hij durft in zichzelf te kijken, in de afgrond van zijn eigen wezen, terwijl don Gaetano juist onophoudelijk wegkijkt of de blik naar boven richt.

Of de kunstschilder uiteindelijk het duel met de ongrijpbare priester wint, zoals Linda Pennings in het voortreffelijke nawoord suggereert, valt overigens te betwijfelen. Want hoewel Sciascia zijn materiaal met net zulke scherpe contrasten en net zo'n krachtig koloriet stileert als de door de kunstschilder bewonderde Caravaggio dat deed, tast de lezer ook op dit punt in het duister. Niet het licht van de Rede lijkt te zegevieren, maar de slagschaduw van Sciascia's pessimisme.