Rooms

Als er één stad rooms is, dan is het Napels.

Ik heb nog nooit zoveel kerken in een stad bij elkaar gezien, nog meer dan in Rome. In sommige straten staan drie, vier kerken elkaar te verdringen – de een nog mooier dan de ander.

In en rond deze kerken kom je uitingen van devotie tegen die in Nederland niet meer voorkomen. Jonge mensen die snel een kruisje slaan als ze de kerk passeren. Priesters die vóór in de kerk, en voor iedereen zichtbaar, de oorbiecht afnemen, terwijl achter de biechteling een rij gelovigen zijn beurt staande afwacht – als klanten voor het loket in het postkantoor.

Op een avond loop ik de Gesù Nuovo binnen, een barokke kerk van de jezuïeten in het hartje van de stad. In deze kerk blijkt een heuse cultus rond de zalig verklaarde priester San Giuseppe Moscati (1880-1927) gaande. Achter de kerk is een klein museum ingericht met zijn sobere studeerkamer en slaapkamer (uiteraard met een eenpersoonsbed).

Moscati was een priester-arts die bij enkele rampen die Napels troffen, goed werk heeft gedaan. Naast een altaar in de kerk staat een manshoog beeld van hem. Hij vertoont een treffende gelijkenis met de jeugdige Stalin – koel, onbewogen, een snorretje – maar dat weerhoudt niemand van de gelovigen ervan na afloop van de mis even de handen van het beeld vast te houden. Sommigen kussen ook nog het altaar dat de beenderen van Moscati bevat.

Ja, katholieke beenderen, daar is menig Napolitaan verzot op. In de San Paulo Maggiore, een kerk met prachtige fresco's, stuit ik in een zijgang plotseling op vitrines met schedels en beenderen van mensen die ongetwijfeld een voorbeeldig rooms leven achter de morsdode rug hebben.

Er valt een gemummificeerde dame te bewonderen, maar ook een skelet dat uit een wijd opengesperde mond een onhoorbare schreeuw laat ontsnappen. Edward Munch zou er de kunst van kunnen hebben afgekeken. Een ander puntgaaf skelet draagt grijze sokken, van de Italiaanse Hema zo te zien, want het kan kil zijn in zo'n kerk.

Het heeft iets verslavends, die kerken, ik merk dat ik het niet meer kan laten ze even binnen te gaan als de deuren openstaan.

In de Santi Apostoli aan de Via Carbonara is de beloning wel zeer royaal. Een priester geeft onderricht aan twintig schoolkinderen die op stoeltjes vóór de kerkbanken zitten. Hij laat de kinderen, één voor één, of allemaal tegelijk, religieuze teksten voorlezen. Als ze fouten maken, corrigeert hij kordaat, maar nooit streng. Ook grijpt hij meteen in als hun aandacht verslapt. Er wordt goed naar hem geluisterd, hij is een leraar met groot natuurlijk gezag.

Het grappige is dat hij zich niet alleen met de kinderen, maar ook met sommige van hun moeders bezighoudt. Die zitten elders in de kerk toe te kijken en kunnen tussen de bedrijven door bij de priester te biecht gaan. De moeder knielt dan bij het altaar op een bankje, en de priester neemt gemoedelijk op een stoel tegenover haar plaats. Het ontbreekt er alleen nog aan dat we de zonden van de moeder kunnen verstaan.

Aanschouwelijker onderricht kun je kinderen niet geven.