Op de brandstapel van de erfvijand

De rivaliteit tussen schrijvers is een prachtig onderwerp; niet alleen in de werkelijkheid, waar kinnesinne de beroepsziekte van het literaire leven is, maar ook in de fictie. Joost Zwagerman wijdde een van zijn beste boeken, Chaos en rumoer, aan een schrijver die overvleugeld dreigt te worden door een succesvolle rivaal, en die roman uit 1998 was weer een postmoderne herschrijving van The Information van zijn grote Engelse voorbeeld Martin Amis. Pikant detail: Martin Amis is de zoon van de beroemde satiricus Kingsley Amis (1922-1995) en zal zelf te maken hebben gehad met een flinke portie schrijversrivaliteit.

Hoe dichter twee schrijvers bij elkaar staan, hoe heftiger de jalousie de métier. `En schrijvers in een en dezelfde familie – dat verdraagt zich niet. Dan is het moord of doodslag, Kaïn of Abel'. Aldus Geerten Meijsing in Moord en doodslag, het tweede deel van de `dubbelroman' die hij publiceerde met zijn drie jaar oudere zuster Doeschka. De jonge Meijsing (1950) toont zich er in het autobiografische boek van overtuigd dat zijn zuster hem nooit vergeven heeft dat hij schrijver is geworden. En daar komt nog iets bij: `Mijn overschilligheid [tegenover Doeschka] werd door haar geweten aan het feit dat ik jaloers was op haar succes en het gemak van haar pen.'

In haar eigen bijdrage aan de dubbelroman, Moord, ontkent Doeschka Meijsing de beschuldiging niet; al moeten we in acht nemen dat zij haar bijdrage niet als 100 procent autobiografie presenteert. Zo geeft ze zichzelf en haar broertje andere namen – Andrea en Timbeer – en veroorlooft ze zich enige vrijheid bij de weergave van haar familiegeschiedenis (iets wat haar in Moord en doodslag op schamper begrip van haar broer komt te staan). `Je hebt broers en je moet ze doden' schrijft Doeschka/Andrea aan het begin van Moord, wanneer ze vertelt hoe ze niet lang voor haar derde verjaardag geconfronteerd werd met een monster in windselen dat geen vuur spuwde maar lauwe melk. Om de stelling te onderstrepen doorspekt zij haar kroniek van een broer-zusterverhouding met verwijzingen naar het bijbelse verhaal van Kaïn, die zijn jongere broer Abel doodsloeg in zijn wedijver om 's Heren liefde. Kaïns antwoord op Gods vraag waar zijn broer is, `ben ik mijns broeders hoeder?' (in de nieuwe Bijbelvertaling vervangen door: `moet ik soms waken over mijn broer?'), echoot door in de dubbelroman, die niet alleen suggereert dat Andrea eens het leven van Timbeer redde, maar ook omgekeerd.

De dubbelroman is een unieke vorm in de literatuur – ik kan althans geen andere voorbeelden bedenken – en het bespreken ervan wordt nog ingewikkelder als het eigenlijk geen roman is. Doeschka Meijsings poging om haar verhaal te fictionaliseren wordt in deel twee door Geerten onderuit gehaald, en de conclusie van de lezer moet wel zijn dat we in deze roman te maken hebben met wat in Amerika memoir wordt genoemd, een nauwelijks verdunde versie van de werkelijkheid. Beide auteurs zijn zich er overigens van bewust dat een gedeeld verleden niet betekent dat het ook op dezelfde manier herinnerd wordt. Andrea raakt al jong `overweldigd door de vraag of de ene waarheid meer was dan de andere, of er twee waarheden tegelijkertijd konden bestaan.' En Geerten noteert: `Ook als je twee verhalen met hetzelfde onderwerp over elkaar legt, wrikt het geheel en krijg je de boel nooit passend.'

Ondubbelzinnig

De kern van de dubbelroman ligt in elk geval in een bezoek dat Andrea/Doeschka brengt aan haar broer in Siracusa, Sicilië, waar hij zich heeft teruggetrokken na een moeilijke periode in zijn leven. (Wie wil weten hoe moeilijk, leze Tussen mes en keel, waarin Geertens vaste alter ego Erik Provenier een mars maakt door de instituties van de geestelijke gezondheidszorg.) De drie weken dat ze op elkaars lip zitten (in een piepklein appartement met buiten de stromende regen), is voor beiden de aanleiding om over hun jeugd en hun verhouding tot elkaar te schrijven. Dat Geerten dit ondubbelzinnig autobiografisch doet, is niet verrassend (al blijft hij zijn lezers vreemd genoeg voorhouden dat het voor hem een wet is `om nooit over de familie te schrijven'); immers, zo schrijft Andrea over Timbeer: `alles in het leven wat hij meemaakte kwam in een van zijn boeken terecht.' Dat Doeschka zich aan de autobiografie waagt, mag gezien haar (nu door Geerten bevestigde) reputatie als fabulator opvallender heten – al publiceerde ze drie jaar geleden een verhaal over haar moeders familie onder de titel 100% chemie.

Zowel Moord als Moord en doodslag is het verslag van een haat-liefdeverhouding, van `broeder en zuster, die elkaar haatten en niet openlijk konden beminnen' (Geerten). Niet alleen het gevecht om liefde en respect van hun ouders – en de schijnbare achterstelling van Doeschka bij haar engelachtige broertje – hebben een zware wissel op de relatie getrokken, ook hun verschillende opvattingen over het schrijverschap. De romantisch aangelegde Geerten minacht zijn zuster omdat ze Nederlands heeft gestudeerd en bij een weekblad heeft gewerkt – een schrijver moet zich met huid en haar overleveren aan zijn roeping. Bovendien kan hij niet verkroppen dat zij beter verkoopt. Andrea ergert zich aan Timbeers poses, aan zijn krankzinnige opvattingen over vrouwen en aan zijn paranoia over Holland en de literaire wereld. Maar, schrijft ze bij hun weerzien in Siracusa: `Ondanks alles wat er was gebeurd, wat er tussen ons in stond, wat ik abject aan hem vond, toch kon ik niet anders dan zijn aantrekkingskracht voelen.'

Regenbuien

Het is een rauw en roerend verhaal dat Doeschka Meijsing over de familieperikelen van Andrea en Timbeer vertelt; een verhaal van haat, nijd en depressie dat niettemin op iets uitloopt dat je een happy ending zou kunnen noemen. Want terwijl de regenbuien neerslaan op het kleine appartement op het schiereiland Ortigia komen de Meijsings tot elkaar: `We lachten en vertelden en lachten en zongen en wisten allebei wat we nooit uitspraken: dat de een een beter schrijver wilde zijn dan de ander. Dat we in dat opzicht erfvijanden waren die nooit zouden opgeven. Daarom, alleen daarom, hielden we het meeste van elkaar.' Dat de idylle waarschijnlijk geen lang leven beschoren is, weten we als we bedenken dat na de vorige periode waarin de Geschwester zich verbroederden, in de zomer van 1973, Geerten/Timbeer zijn eerste zelfmoordpoging deed.

Doeschka's roman is de literairste van de twee; ze eindigt met eenzelfde scène als waarmee ze begint (zuster bezorgt broer een zonnehoed) en rondt daarna af met een verwijzing naar het Kaïn-en-Abelverhaal, wanneer ze aankondigt dat zowel zij als haar broer bezig is met een nieuw boek: `dat we beiden een nieuwe brandstapel aan het bouwen waren [...] en onze offers aan het bereiden waren, het beste van wat we in ons hadden, en dat we maar moesten afwachten van wie het offer [...] naar de hemel steeg.' Geertens Moord en doodslag is beduidend langer dan Doeschka's Moord, en ook losser. Een groot deel van het boek wordt ingenomen door een chronologische reconstructie van een mysterieuze kindermoordzaak in de Italiaanse Alpen die begint te spelen wanneer Doeschka in Siracusa arriveert. Geerten raakt geobsedeerd door de zijns inziens valse aanklacht tegen de moeder van het jongetje; aanvankelijk zegt hij niet te weten waarom, later ziet hij een (voor de lezer nauwelijks na te voelen) overeenkomst tussen Doeschka en het slachtoffertje. Maar hoe het ook zij, de nauwkeurige boekstaving van de zaak-Franzoni wordt nergens spannende New Journalism, en werpt zelfs een schaduw over de aspecten van Moord en doodslag die wél de moeite waard zijn, zoals Meijsings meedogenloze zelfanalyse en zijn liefdevolle thick description van het provinciestadsleven in Sicilië.

`Romanschrijvers maken overal een verhaal van', schrijft Geerten. Je kunt je afvragen hoe dat bij dubbelromanschrijvers zit. Doeschka heeft van haar deel veel duidelijker een verhaal gemaakt dan Geerten, die heen en weer schiet tussen een boek over zijn zuster, een oefening in true crime en een boek over zijn vader (`De belangrijkste dag in het leven van een man is de sterfdag van zijn vader' luidt het motto van de roman). Daarbij komt dat Doeschka inderdaad een gemakkelijker pen heeft dan haar broer, die af en toe wel érg lange zinnen schrijft en die het stilistisch – in dit boek tenminste – moet hebben van zijn humoristische barok. En zo zijn we bij deze dubbelroman toch weer uitgekomen op een apart oordeel over de zeer verschillende boeken van broer en zuster. Het zal de onderlinge rivaliteit versterken, maar als Moord/Moord en doodslag iets bewijst, dan is het dat de literatuur daarmee gediend is.

Doeschka Meijsing: Moord. Geerten Meijsing: Moord en doodslag. Dubbelroman. Resp. Querido, 210 blz. en De Arbeiderspers, 314 blz. €22,95 (twee romans in één band)