Luis zoekt pels

De affaire rond de liegende reporter Jayson Blair, heeft een diepere crisis bij `The New York Times' blootgelegd, blijkt uit een grondige reconstructie.

In het najaar van 2002 schreef The New York Times meer dan dertig artikelen over de Augusta National Golf Club in de Amerikaanse staat Georgia. De golfclub weigerde vrouwelijke leden toe te laten. Discriminatie! Het was precies het soort verhaal op het kruisvlak van sport en maatschappij – waar de toenmalige hoofdredacteur van de Times, Howell Raines, van droomde. Augusta vormde een mooie gelegenheid om zijn journalistieke principe in praktijk te brengen: flooding the zone. Een legertje verslaggevers van de krant rukte uit naar Georgia, niet alleen om deze misstand bij een van de bekendste golfclubs van Amerika agressief te verslaan, maar ook om andere journalistieke organisaties bij voorbaat de pas af te snijden. Raines, die de Times als een militaire bevelhebber leidde, nam geen genoegen met een ongecompliceerde primeur. Belangrijker (en moeilijker) was de nieuwscyclus van een verhaal te beheersen. `Als zich een belangrijk verhaal voordoet, go like hell', hield hij zijn medewerkers voor. De Augusta National Golf Club was in zijn ogen zo'n verhaal.

Niet iedereen bij de krant kon Raines daarin volgen. Zeker, het was opmerkelijk en nieuwswaardig dat Augusta vrouwen buiten de deur hield, maar op de redactie ontstond bij het verschijnen van het zoveelste verhaal over de golfclub het knagende gevoel dat Raines het belang ervan wellicht overschatte. De stemming op de krant werd er niet beter op toen bleek dat de hoofdredactie twee columns had geweigerd waarin die mening werd geventileerd. Toen dat uitlekte zag de hoofdredactie zich gedwongen de columns alsnog te plaatsen, een pijnlijke nederlaag voor Raines. Wie dacht dat hij hiermee zijn lesje had geleerd kwam bedrogen uit. Later dat jaar nomineerde hij de verslaggeving van de krant over Augusta voor een Pulitzerprijs. Het was volgens Seth Mnookin, voormalig mediaredacteur van Newsweek en auteur van het boek Hard News, het moment waarop een goede vriend van Raines bij de krant besefte dat de situatie niet meer onder controle was: door zijn arrogantie en gedrevenheid had de hoofdredacteur de realiteit uit het oog verloren. De prijs werd niet gewonnen.

Het verhaal over Augusta maakt veel duidelijk over het leiderschap van Raines. Raines was van september 2001 tot en met juni 2003 hoofdredacteur van de meest prestigieuze krant van de Verenigde Staten. Een tumultueuze periode, waarin hij werd geconfronteerd met de terreuraanvallen op het World Trade Center en het Pentagon, oorlogen in Afghanistan en Irak en een sluipschuttersduo in de omgeving van Washington. Allemaal buitenkansen om de strategie van flooding the zone toe te passen. Het leek allemaal goed te gaan, de krant presteerde zelfs groots na `9/11' (wat wél Pulitzers opleverde), tot hij ineens werd geconfronteerd met een van de grootste persschandalen in de Amerikaanse geschiedenis: de Jayson Blair-affaire. Blair, een jonge en ambitieuze Afro-Amerikaanse journalist bij de Times, speelde jarenlang leentjebuur bij het schrijven van zijn artikelen. Hij pleegde niet alleen plagiaat, maar deed ook regelmatig voorkomen dat hij ergens in Amerika op locatie was, terwijl hij zijn verhalen in werkelijkheid thuis schreef. In het voorjaar van 2003 liep hij tegen de lamp. Blair sleurde vervolgens Raines en adjunct hoofdredacteur Gerald Boyd mee in zijn val. In juni 2003 namen zij ontslag. Hard News is een boeiende reconstructie van het schandaal en van het hoofdredacteurschap van Raines.

De hoofdrolspelers legden eerder al verantwoording af van hun rol in de affaire. Blair deed in het boek Burning Down My Masters House (2004) onbekommerd verslag van zijn zelfdestructie. Raines publiceerde het relaas van zijn negentien maanden durend hoofdredacteurschap in een al even opmerkelijk artikel in het tijdschrift The Atlantic Monthly van mei 2004. Daarin veegde hij de vloer aan met de organisatie van de krant, die volgens hem leed aan een cultuur van `lethargie en zelfgenoegzaamheid' en in de ban was van de `mythe van moeiteloze superioriteit'. Blair en Raines zijn natuurlijk niet met elkaar te vergelijken. Blair was een sjoemelaar en leugenaar die voortdurend de hand boven het hoofd werd gehouden en die zelfs promotie kon maken dankzij het beleid van positieve discriminatie bij de krant. Raines was een voortreffelijke journalist, die onder meer correspondent was geweest in Londen en chef van de opiniepagina. Beide verslagen boek en artikel maken echter duidelijk dat Blair en Raines ook iets gemeen hadden: een overdreven geloof in hun vermogen om de krant naar hun hand te zetten. Raines heeft volgens Mnookin zijn val dan ook volledig aan zichzelf te wijten; de affaire-Blair werd door een grote meerderheid van de twaalfhonderd werknemers van de Times aangegrepen om hem aan de kant te schuiven.

Volgens Mnookin werd Raines na een midlife crisis die hem trof als Witte Huis-verslaggever onder Ronald Reagan, verteerd door de ambitie ooit leiding te geven aan The New York Times. Begin september 2001 kreeg hij zijn kans: na het vertrek van Joseph Lelyveld werd hij door de eigenaar van de krant, Punch Sulzberger, benoemd tot hoofdredacteur. Enkele dagen later boorden de vliegtuigen zich in het World Trade Center. De maanden daarna leidde Raines zijn krant naar een record van zeven Pulitzerprijzen. Hoofdredacteur was hij al, daarom besloot hij nu de beste hoofdredacteur te worden in de geschiedenis van de krant. Op zeer Amerikaanse wijze maakte hij werk van dat streven. Hij drukte overal zijn stempel op, creërde een `commando-cultuur' en verspreidde een sfeer van angst en favoritisme over de redactie. Wat dat laatste betreft: hij liet aan het begin van zijn hoofdredacteurschap weten dat correspondenten van nationale bureaus (dat wil zeggen: buiten New York) vaker moesten rouleren, maar hij vrijwaarde een geestverwante correspondent in New Orleans van deze regel. Een favoriete verslaggeefster kreeg van hem te horen dat zij voor een Pulitzerprijs moest gaan. Haar `primeurs' over de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak, die bijna automatisch op de voorpagina belandden, moesten daarvoor zorgen. Maar in plaats daarvan berokkenden ze schade aan de reputatie van de krant: de bronnen waarop haar verslaggeving was gebaseerd bleken afkomstig uit de regering-Bush of van Iraakse emigranten die hoopten een invasie door de Verenigde Staten en de val van Saddam Hussein. De massavernietigingswapens zijn zoals bekend nooit gevonden.

Na het ontslag van Raines en een kort intermezzo van oud-hoofdredacteur Joseph Lelyveld werd Bill Keller in de zomer van 2003 benoemd tot opvolger. Hij beloofde de rust op de redactie te herstellen. Daarin is hij wonderwel geslaagd, maar bijna twee jaar na zijn aanstelling moet worden vastgesteld dat het niet goed gaat met de Times. Het aan arrogantie grenzende zelfvertrouwen dat de krant decennialang uitstraalde is verdwenen. In plaats daarvan is de Times veranderd in een naar binnen gerichte organisatie, die twijfels over haar plaats en rol in de samenleving met enige gretigheid kenbaar maakt. Vorige week verscheen daarover het rapport Preserving Our Readers Trust, een vervolg op het vorige jaar verschenen verslag van de Commissie Siegal, die werd ingesteld na de affaire-Blair. Het nieuwe rapport is deprimerende lectuur, met zinnen als `wij accepteren volledig dat er mensen zijn die er genoegen in scheppen de Times te haten.'

Opvallend is daarnaast het voorstel op zoek te gaan naar `getalenteerde journalisten met militaire ervaring, met eerstehands kennis van het Amerikaanse platteland, die zich thuis voelen in verschillende geloofsovertuigingen.' Daarmee erkent de krant impliciet de juistheid van het Republikeinse verwijt dat zij het contact met de `gewone' Amerikaan heeft verloren, en niet in staat is adequaat verslag te doen van de ontwikkelingen in de grootste groei-industrie van de afgelopen kwart eeuw, het militaire bedrijf. Eerder, in een verhaal in The New Yorker van 14 februari, riep hoofdredacteur Keller al op tot verslaggeving die recht doet aan `grote morele aarzeling die de meeste Amerikanen hebben over abortus' en tot `een poging het denken van mensen te begrijpen die het homohuwelijk als onaanvaardbaar beschouwen' en `degenen die zich zorgen maken over de gevolgen van de beperking van vrij wapenbezit voor hun burgerrechten.'

Na de affaire-Blair en na de constatering dat The New York Times de motieven van president Bush om ten strijde te trekken tegen Irak klakkeloos (en ten onrechte) heeft gevolgd, lijkt het besef nu doorgedrongen dat de krant, als zij niet oppast, irrelevant dreigt te worden voor een grote groep Amerikanen. Niet voor niets eindigt het stuk in The New Yorker als volgt. `Dat is waar journalisten in de mainstream media zich zorgen over beginnen te maken: wat gebeurt er als de bevolking ons niet meer gelooft, als zij ons niet meer ziet zitten?'

Een vraag die des te urgenter is nu, na het schandaal rond Jayson Blair, CBS en Newsweek recent berichten hebben moeten herroepen. Bij CBS leidde dat tot het voortijdig ontslag van nieuwslezer Dan Rather, de hoofdredacteur van Newsweek heeft deze week zijn excuses aangeboden voor een verhaal – gebaseerd op een anonieme bron – over het door het toilet spoelen van een koran op Gauntánamo Bay. The New York Times, CBS en Newsweek onder druk; de Schadenfreude in het Witte Huis zal groot zijn. Sprekend over de problemen bij Newsweek zei een – anoniem opgevoerde – adviseur van de regering Bush deze week in The New York Times: `De verwachting is niet dat zij (de regering-Bush) Newsweek op de knieën zullen krijgen, maar er heerst wel het gevoel dat jullie (journalisten) ongehinderd je gang kunnen gaan.' Niet alleen Newsweek, ook de Times weet zich in de verdediging gedrongen. Vandaar de zelfgestelde opdracht in de onderwerpkeuze aan te sluiten bij de belevingswereld van conservatief Amerika. Een hele uitdaging voor de krant: president George W. Bush aan het lezen krijgen.

Seth Mnookin: Hard News. The Scandals at The New York Times and Their Meaning for American Media. Knopf, 330 blz. €29,95