Kaneelbloesem 6

De mens wil met alle geweld individueel zijn, eigen, echt, nieuw en bijzonder. Maar de keuzes die we maken zijn lifestyle-keuzes, ze ontberen betekenis.

Slapen is verliezen. Dat is het motto dat een van mijn studenten had bedacht voor onze laatste avond in Nürnberg, waar ik de studenten heen heb gesleept bij wijze van toelichting op het thema dat ik aankondigde hier in Delft te behandelen: de techniek van het lijden.

U kunt nu zeggen dat slapen is verliezen de uitdrukking is van een mens die meent dat voldoende nachtrust getuigt van gebrek aan nieuwsgierigheid, die meent dat het de moeite is te wachten op iets wat toch niet komt. Een mens? Noem het een soort. Het soort dat zich door de nacht sleept in de ijle hoop op een vluchtig zoentje.

Elk ander mens die door de nacht strompelt, terend op deze hoop, zou doen denken aan een treurige clown. Maar de jeugd compenseert veel.

In de jeugdige strompelaar kan men een levenshonger herkennen die confronterend is. Men herkent de overmoed die noodzakelijk is om aan deze tot mislukken gedoemde onderneming te beginnen: leven. Of laat ik het anders zeggen: mens worden.

Maar daarmee is niet alles gezegd over dat slapen dat verliezen zou zijn.

Waar het mij om gaat is dat verliezen. En dan vooral de vraag wat het is. Zou het slapen zijn, of is het nooit meer slapen? Wanneer kunt u met recht zeggen, ik heb verloren?

Dat men kan verliezen is zeker. Dat het een smadelijke aangelegenheid is, daaraan hoeft niemand te twijfelen. Maar er is een nooduitgang. De grenzen van het verlies liggen niet vast. Overwinningen vermommen zich soms als nederlagen.

Elke gemeenschap kent onreine elementen die moeten worden uitgestoten om de gemeenschap rein, vitaal en krachtig te houden. In onze postindustriële samenleving zijn de losers de onreine elementen. De mensen die te veel nederlagen hebben geleden, aan wie geen voordeel meer te behalen is. De gemeenschap ontdoet zich van deze elementen omdat de nederlaag besmettelijk is.

Slapen is verliezen, is niet alleen de kreet van een overmoedig mens. De kreet onthult het verlangen te weten wat verliezen is. Hier spreekt iemand die het verlies alleen kent van horen zeggen en die het beter wil leren kennen.

De techniek van het lijden zou wel eens kunnen samenvallen met de techniek van het verliezen. Wie weet hoe je moet verliezen weet hoe je moet lijden. En wie weet hoe je moet doen verliezen weet hoe je moet doen lijden.

Dit sluit aan op een van de definities van lijden die mij is aangereikt door de studenten. We konden het er namelijk niet over eens worden wat lijden nu precies is. Voor sommigen moest het lijden heel lang duren, anderen waren bevreesd dat als het lang zou duren je eraan zou wennen en dat het dan geen lijden meer zou zijn. Het lijden als goede huisvriend, die na tienen zijn pantoffels aantrekt en zich bij je op de bank nestelt om te kijken wat er vandaag weer is misgegaan in de wereld, is niet geloofwaardig. De liefde mag een huisdier zijn, het lijden is dat beslist niet.

Lang hebben we gepraat over de vraag of gewenst lijden nog wel lijden genoemd mocht worden. Iemand die zichzelf bewust doet lijden, lijdt zo iemand wel? Is lijden niet altijd ongewenst?

Dan was er nog de vraag of lijden ondraaglijke pijn was. Het woordje `ondraaglijk' suggereerde dat je eraan dreigt te bezwijken of al bent bezweken, en kun je lijden zonder een goed functionerend bewustzijn?

Het subject dat lijdt moet, zo begreep ik van de studenten, beseffen dat hij lijdt.

Eén definitie die mij werd aangereikt sprak mij uiteindelijk het meeste aan: lijden is meedoen aan het spel maar voortdurend verliezen.

,,Maar'', riepen de studenten, ,,lijden is verliezen, is een tautologie.''

Een gastschrijver verhoudt zich tot zijn studenten als een opa tot zijn kleinzoon. Hij is geneigd alles te doen om ze te verwennen. Vandaar dat ik op zoek ging naar iets wat dat verliezen zou kunnen verduidelijken.

Onbescheiden als ik ben, vond ik in mijn eigen werk een passage die aan de kern van het verliezen raakte. In mijn novelle Het aapje dat geluk pakt las ik: `Alles gaat om gewild zijn en alle pijn begint waar het gewild zijn ophoudt. Waar je niet meer gewild bent, maar te veel.'

Sommige studenten zullen zeggen: ,,Dit lijkt weer op een tautologie.''

Want is het niet meer gewild zijn het resultaat van het verlies, of is verliezen het resultaat van het niet meer gewild zijn?

Ik meen dat het er even niet toe doet wat er eerst was. Waar het om gaat is dat wie niet meer gewild is duidelijk verloren heeft. Hij is overbodig. Hij is onrein.

Stelt u zich een gymzaal voor. Er moeten partijen gekozen worden. De gymleraar wijst twee personen aan die mogen kiezen.

Langzaam worden de keuzemogelijkheden kleiner. De meest gewilden zijn al weg, de minder gewilden blijven over. En uiteindelijk gaan ook die weg, tot er één overblijft die geen van beide partijen wil hebben. Niemand wil hem hebben. Hij is je bij het spelen alleen tot overlast.

Dat is de onreine. En of zijn onreinheid het gevolg is van zijn niet-gewild zijn of dat zijn niet-gewild zijn het gevolg is van zijn onreinheid doet er niet toe. Het doet er zelfs niet toe of hij onrein is geboren. Noch voor hem noch voor degenen die met hem opgescheept zitten.

Zes weken geleden in mijn openingslezing De Soepsteen sprak ik over het verhaal van Job en dan vooral over zijn drie mooie dochters Duifje, Oogschaduw en Kaneelbloesem, die in de nieuwe bijbelvertaling Jemima, Kesia en Keren-Hapuch heten, wat ik niet per se een verbetering vind. Zes weken geleden kondigde ik aan mijn studenten nieuwe namen te zullen geven. De een zou Duifje 4 heten, de ander Oogschaduw 6 en weer een ander Kaneelbloesem 2.

Op één na heeft geen van de studenten zich tot mij gewend met de vraag: ,,Mag ik Kaneelbloesem 1 zijn?''

Kennelijk nam men mijn woorden, die ik in alle ernst en op een eerbiedwaardige plaats, namelijk hier in de aula van de TU in Delft, heb uitgesproken, niet serieus genoeg.

Maar zo kun je nooit winnen. Wie het spel niet serieus neemt verliest altijd.

Uiteindelijk moest deze masterclass geen tradioneel voertuig voor wat kennisoverdracht worden. Ik streefde een kleinschalig en bescheiden experiment na. Wie wil Kaneelbloesem 6 zijn? Wie wil in de rangorde van Kaneelbloesems zich knus op de zesde plaats nestelen?

Dit leven kent een aantal gebruiksaanwijzingen. Over sommige van die gebruiksaanwijzingen beschikken wij intuïtief. De baby weet zonder moeite dat hij aan de tepel van de moeder moet zuigen. Andere gebruiksaanwijzingen die wat minder gericht zijn op het primaire overleven zijn complexer.

Verliefd worden, ongelukkig zijn, liefhebben, overleven in het gezin en daarbuiten, rouwen, cocktailparties bijwonen, dat alles vereist gebruiksaanwijzingen.

Van de architecten in mijn groep heb ik geleerd dat een gebouw een gebruiksaanwijzing is voor hoe je je moet bewegen en waar je wat moet doen.

Zo kun je kunst en religie zien als een gebruiksaanwijzing voor het beleven van allerlei emoties. Kunst en religie roepen die emoties op en onderdrukken die vervolgens weer (in de meeste gevallen) als ze al te heftig dreigen te worden.

Zoals de architect de beweging mechaniseert, zo mechaniseert religie, en tot op zekere hoogte ook kunst, de emotie.

Televisie heeft deze mechanisering van de emotie verfijnd en geperfectioneerd. De allerindividueelste emotie is een massaproduct geworden.

De filmregisseur Pawel Pawlikowski die ik onlangs interviewde, zei dat wij geen werkelijk belangrijke keuzes meer kunnen maken, dat al onze keuzes lifestyle-keuzes zijn geworden.

Dat mag op het eerste gezicht als terloopse cultuurkritiek klinken en zoals u weet is cultuurkritiek vandaag de dag ook lifestyle, maar ik vrees dat Pawlikowski iets belangrijks zegt.

Wij kunnen volop kiezen, dat is het probleem niet, maar de keuzes die wij maken, ontberen betekenis.

Lifestyle is het symbool voor dat waaraan geen inhoud meer vastzit. Een symbool dat zich heeft losgezongen van wat het ooit vertegenwoordigde en dat zich nu dus in een vacuüm beweegt.

Aan de keuze voor het pure ritueel en de etiquette, voor de lifestyle met andere woorden, kleven voordelen. De spelregels zijn vrij nauwkeurig omschreven, aan veel slepende onzekerheid komt een eind.

Wij hoeven niet meer te zeggen ,,liefje, ik heb je gemist, geen uur ging voorbij zonder dat ik aan je dacht'', omdat wij het menen, en wij hoeven ons ook niet meer te laten plagen door schuldgevoel wanneer wij dat zeggen zonder het te menen.

De liefde als gezelschapsspel, het leven als gezelschapsspel ontslaat de spelers van de plicht iets te menen. Echt en onecht zijn daar absurde categorieën geworden. Zoals het onzinnig is aan iemand die Monopoly speelt te vragen: ,,Meen je dat? Wil je echt een huis kopen en dat op Neude, Utrecht zetten?''

Ook omgangsvormen zouden gebaat kunnen zijn bij de ontmaskering van de allerindividueelste emotie. Waarheidsliefde en hoge waardering van echtheid staan op gespannen voet met hoffelijkheid. En wees ervan overtuigd, het is aangenamer iemand het graf in te prijzen zonder er iets van te menen dan gemeend te roepen: ,,Hé klootzak, ik stond hier eerst.''

De kunst van dit spel is de beheersing. Het masker mag niet vallen, want er zit niets achter.

Wij kunnen het rollenspel spelen zonder het dwaze idee daar ook nog iets van onszelf in kwijt te moeten. Wij keren terug naar een orde waarin wij ons verlossen van het primaat van het voelen. Wij volbrengen leven en liefde als een partijtje tennis en verliezen wij onverhoopt, dan lopen we naar het net en zeggen tegen de tegenstander: ,,Bedankt voor het spelen.''

Aan deze keuze kleven voor- en nadelen. De voordelen heb ik net geschetst, de nadelen zijn evident. Men valt uit zijn rol. En het is moeilijk terug te keren naar een rol die je zelf niet meer echt gelooft. Je slingert je racket weg, je rent naar het net en in plaats van netjes te zeggen ,,bedankt voor het spelen'' zet je, alsof je vandaag de dag nog een authentiek en echt persoon kunt zijn, je tanden in het vlees van de tegenstander.

Het probleem van de lifestyle is dat hij hinkt op twee gedachten. Aan de ene kant is hij niets dan voorgeprogrammeerd rollenspel, een soort van tennis met de eettafel als het net. Een parade van symbolen die een zekere sociale orde suggereren.

Maar tegelijkertijd wil die lifestyle met alle geweld individueel zijn, eigen, echt, nieuw en bijzonder. Een uniek en eenmalig massaproduct. Herkenbaar maar toch anders, want wie niet anders is, is niet meer echt.

Die hang naar uniciteit weerspiegelt het faillissement van de onderneming.

Hoe meer het massaproduct zich laat voorstaan op zijn individualiteit, hoe meer de leegte zichbaar wordt en hoe meer die leegte lijkt op een wond.

Anders gezegd: wanneer lifestyle het echte leven in al zijn rauwheid aanbiedt voor een vriendenprijs, wordt de afwezigheid van dat echte leven opeens schrijnend zichtbaar. Daar helpt geen survivalttocht aan.

En daar wordt het gelijk van Pawlikowski zichtbaar: dat er geen keuzes meer te maken zijn die ertoe doen. Dat de keuzes die wij maken betekenis ontberen. Dat ook kunst en religie zijn verworden tot lifestyle.

Onze leegte is niet langer de schoonheid die zij zou kunnen zijn, maar een etterende wond waaruit maden kruipen.

Niets zorgt voor zoveel onechtheid als de hang naar echtheid, en die hang naar echtheid is weinig anders dan onwil van de postindustriële mens om zichzelf te aanvaarden: een massaproduct. Een handelsreiziger in eigen vlees.

Wat hem pas goed machteloos maakt is het gebod: wees jezelf.

Hij kan zichzelf niet zijn en hij moet dat vooral ook niet willen, want hij zou gillend wegrennen. Hij mag het ook niet. Het belangrijkste gebod van de lifestyle luidt: ,,Ken uzelf niet. Wij kennen u en dat is genoeg.''

Nu vraag ik u nog een keer: wie van u wil Kaneelbloesem 6 zijn? Ik zie dat ik ook een open plek heb voor Oogschaduw 4.

In de trein naar Nürnberg organiseerde ik een veiling. De leden van de leiding, waartoe ik behoorde, hadden een kamer alleen in het Ibishotel aldaar. Maar de studenten moesten met zijn tweeën op de kamer. Ik noemde de naam van een willekeurige student, deze kreeg 30 seconden de tijd zichzelf aan te prijzen. Hij zei bijvoorbeeld: ,,Ik snurk niet, ik maak het putje in de douche schoon en ik heb een fles wijn bij me.'' Vervolgens kon er door andere studenten die met deze persoon op één kamer wilden slapen worden geboden. Geld werd geaccepteerd, maar ook repen chocolade, en vriendschap en broederliefde. De veilingmeester heeft, aangezien we één gemeenschappelijke munt nodig hadden,vriendschap op 10 euro getaxeerd en broederliefde op 8,5. U, kenners van vriendschap en broederliefde, zult zich daarin kunnen vinden.

Slechts één student, Han, weigerde aan deze wat hij noemde `veemarkt in mensenvlees' mee te werken. Maar later hoorde ik hem tegen een studente, genaamd Marieke, zeggen: ,,Als jij je ook onttrokken had aan de veiling hadden we nu naast elkaar gelegen.'' Hoeveel opportunisme achter zijn principiële weigering schuilging zal wel nooit bekend worden.

Bovendien is Han een eenzame uitzondering.

Ons aller levensmotto is terug te vinden in de roman Lijmen van Willem Elsschot: `Houd vooral moed, ook al loopt het je weken lang tegen. Betrouw niet op God, de Mattos. Wees beleefd tegen je klanten, want het zijn je vijanden, vergeet het niet. Zij laten slechts los wat je ze ontwringt en behouden alles waar je niet voor opkomt met je leven.'

De postindustriële mens verkoopt zijn vlees, ook al zit het hem wekenlang tegen. Klanten zijn vijanden tegen wie je beleefd moet zijn. Maar er zijn alleen klanten.

De ander is een klant.

Aan wie je moet ontwringen wat hij je schuldig is.

Boorman geeft dit advies aan zijn secretaris en hieraan is goed af te lezen hoe het spel het kale spel ontstijgt waarover je altijd kunt zeggen, het is maar een spelletje.

Boorman is een speler. Hij laat zijn secretaris het product dat verkocht moet worden zien en zegt dat de secretaris er even in moet bladeren om zelf te ontdekken dat `het hele ding niets om het lijft heeft, maar dan ook niets...'

En desondanks strijdt hij voor elke klant waaraan iets te ontwringen valt. Dit is de fundamentele en noodzakelijke paradox van het spel.

Het product zelf heeft niets om het lijf, het lijkt wel lifestyle, door het aan de man te brengen maak je de klant schuldig en de klant zal alleen dat gedeelte van zijn schuld voldoen waar de dealer zich met zijn leven voor inzet.

In Boormans advies zit ook een praktische ethiek: de vijand is een klant tegen wie je beleefd moet zijn.

De lijdende postindustriële mens is een persoon die zijn eigen vlees niet meer kwijtraakt. Vandaar ook dat de industrie die ervoor moet zorgen je eigen vlees kwijt te raken zo'n welvarende is. Elke mens is ervan doordrongen dat het eigen vlees aan het bederven is. Wie het vanavond niet kwijtraakt zal morgen extra korting moeten geven.

Maar er is nog iets wat hem doet lijden. Hij mist het vermogen onderscheid te maken tussen wat echt en onecht is en toch wil hij met alle geweld dat onderscheid aanbrengen.

Hij voelt verontwaardiging die nooit van hem is geweest, hij wordt overmand door verdriet dat hij niet had hoeven te voelen, hij laat zich meeslepen door woede die hem is opgedrongen.

De mechanisering van de emotie is al te voortvarend ter hand genomen.

Wittgenstein stelt dat je bij pijn een zekere intensiteit kunt onderscheiden. Maar wie zegt ,,ik heb pijn'' zegt nog niet ,,ik ben de eigenaar van die pijn.''

De verregaande mechanisering van emoties heeft eerst geleid tot emoties zonder eigenaar, gevoelens die van niemand meer zijn maar die wel door velen gevoeld worden, en worden aangezien voor echt en hoogst individueel.

En vervolgens kwamen de emoties die aangeschaft konden worden.

De pijn van de postindustriële mens is fantoompijn, want hij lijdt aan iets wat niet van hem is en nooit van hem zal worden. Hij koopt zijn emoties, daarom klampt hij zich er ook zo aan vast. Want hij heeft ervoor betaald.

Wie tegenwoordig zegt: ,,Ik heb pijn'', zegt wel degelijk: ,,Ik ben eigenaar van die en die pijn. Ik heb ervoor betaald, jullie blijven er met jullie poten vanaf.''

Aan pijn en andere emoties die je kunt kopen, kleeft een nadeeltje: de emotie is niet helemaal echt.

Daarom ook moeten de emoties steeds groter en openbaar worden, daarom moet de werkelijkheid op een opera gaan lijken. De kopers van emoties die zelf niet zeker zijn van hun zaak moeten de anderen overtuigen dat de pijn die ze net hebben aangeschaft niet iets is uit de diepvries.

Vrijheid is dan vooral nog comfort en een zekere veiligheid waarbinnen het massaproduct reclame maakt voor zijn bedorven vlees. Een machine met bewustzijn, maar toch een machine, van top tot teen.

Futiel is deze vrijheid niet, want comfort en een zekere veiligheid zijn nooit futiel, maar met vrijheid in de zin van, ik ben een vrij en autonoom subject, heeft zij niets te maken. Deze vrijheid heeft te maken met: ik ben een betrekkelijk goed beveiligde machine. De techniek van lijden zit ingebouwd in mijn besturingssysteem, maar ik kan dat systeem niet wijzigen. Het opperwezen heeft me verkeerd afgesteld.

Karel van het Reve heeft in een beroemd stuk gesteld dat het opperwezen slecht zou zijn. Het is merkwaardig en ongepast om het opperwezen naar menselijke maatstaven te beoordelen.

Wanneer u een rattenplaag in uw huis heeft, belt u de GGD om die ratten te verdelgen.

Vanuit het oogpunt van de ratten bent u het opperwezen en vanuit hun oogpunt bent u waarschijnlijk slecht. Maar als de ratten zich bij u komen beklagen zult u ze honend uitlachen, en terecht. U wilt een schoon huis.

Het vereist niet veel kritisch denkvermogen om tot de conclusie te komen dat wij de rattenplaag van de schepping zijn. En het is aannemelijk dat het opperwezen momenteel druk bezig is om met de GGD te bellen om aan deze plaag een eind te maken.

Wij kunnen ons daartegen verzetten, maar om die beslissing slecht of goed te noemen of onrechtvaardig, is absurd. Het opperwezen vindt nu eenmaal dat wij vies zijn en dat wij stinken. Als wij dichterbij komen springt het opperwezen op een stoel of loopt gillend weg, soms valt zijn ochtendjas daarbij open en roept hij: ,,Ik heb weer te veel gekruimeld.''

Het opperwezen is bang voor ons en als ik het opperwezen was zou ik dat ook zijn.

Hoe onzeker deze machines met bewustzijn alias de ratten zijn, bleek toen elementen, ook genaamd terroristen, het veld betraden. Elementen die zich niet aan het languissante van de lifestyle-keuzes en de lifestyle-vrijheid wensten te houden.

In plaats van te roepen ,,serveren doe je op de achterste lijn en niet bij het net, van het veld af'', raakten de machines in paniek.

Helemaal overtuigd van het paradijs van de lifestyle zijn wij kennelijk niet.

Er zit iets aanlokkelijks in de mogelijkheid om nooit meer `ik' te hoeven zeggen alleen nog maar `wij'. Om nooit meer jezelf te hoeven te zijn, wetende wat voor een onsmakelijke aangelegenheid dat is, je alleen nog aan regels te hoeven houden die niet arbitrair zijn. Omdat het product dat aan de man wordt gebracht wel iets om het lijf schijnt te hebben. Fanatisme is de overtuiging dat het product dat je aan de man brengt iets om het lijf heeft.

Nu mag het opperwezen iets om het lijf hebben, maar of ik als rat troost moet zoeken bij de meneer van de GGD die mij komt verdelgen, daaraan twijfel ik. Om in de hand die met het gif strooit de troostende hand te zien, dat gaat mij te ver.

Mijn God is Boorman en ik ben Zijn profeet.

Uitgangspunt moet zijn dat het niets om het lijf heeft, ons vlees, maar dan ook helemaal niets, maar dat het aan de man moet worden gebracht.

Maar het moment dat u uw klant overtuigd heeft dat uw rottende vlees, uw Wereldtijdschrift, wel iets om het lijft heeft, dat ene kortstondige moment, die leugen die voor een paar seconden aan zichzelf ontsnapt, dat is het moment dat de lifestylekeuzes de lifestyle ontstijgen en betekenis krijgen.

De techniek van het lijden zit in ons. Een aantal exponenten in onze machine zijn onveranderlijk.

Maar de gebruiksaanwijzing voor de machine, daaraan kan gesleuteld worden. In het verleden is die gebruiksaanwijzing al meerdere malen veranderd en bijgesteld.

Niet altijd met even gunstige gevolgen.

Het is niet het oordeel, zoals kolonel Kurtz zegt in Apocalypse Now, dat ons verslagen heeft, maar onze fantasie, de verbeeldingskracht.

Mens worden is beseffen dat je een machine bent. Die voor het opperwezen de gedaante van een rat heeft aangenomen.

Dames en heren, profeten dromen. Als Boormans profeet moet ik ook een droom hebben.

Ik droom van een wereld waarin wij na de liefde, na het leven, naar het net toelopen en zeggen: bedankt voor het spelen, Kaneelbloesem 5.

Dit is een bekorte versie van de Vermeerlezing waarmee Arnon Grunberg gisteren zijn gastschrijverschap aan de TU Delft (i.s.m. de K.L. Poll-stichting voor OKW) afsloot.