Jimmy, een Antwerps straatkind

Ze slapen niet op straat, zoals straatkinderen in Zuid-Amerika. Maar Antwerpse straatkinderen leven wel van de straat. ,,Hoe jonger ze zijn, hoe meer ze kunnen verdienen in de prostitutie.''

Het jongetje is negen. Met een duur ogende fiets slalomt hij tussen de verschillende attracties van de Antwerpse kermis. Zijn pikzwarte haren zijn met gel tot een hanenkam gevormd. Hij draagt een blauw truitje en een knalrode broek. Jimmy, zoals hij zich noemt, ziet er goed uit. Een doodgewoon kind, zo lijkt het. Hij is een straatkind.

Het fenomeen van straatkinderen in een land als België is amper bekend. Naar het totale aantal Belgische straatkinderen is het gissen. In een zeldzame studie uit 2002 over het onderwerp spreekt onderzoekster Dominique Gillebeert over 2.500 à 3.000 straatkinderen. ,,Enkele duizenden'', schat ook Jo Goorden, de coördinator van de Antwerpse straathoekwerkers.

,,De Belgische straatkinderen liggen 's nachts niet onder een brug, zoals in Zuid-Amerika'', vertelt de 49-jarige straathoekwerker. ,,Ze slapen meestal thuis, maar spenderen wel het grootste deel van hun tijd op straat.'' Die is voor hen geen speelplaats. De straat is een keiharde wereld waarin ze geld moeten verdienen zodat zij en hun ouders kunnen overleven. De straatkinderen zijn vooral vluchtelingenkinderen, maar ook weglopers, niet begeleide minderjarigen en migrantenkinderen. Ze zijn van alle leeftijden en rassen.

Gekleed in een leren jasje en met zijn bruine haren keurig op een zijstreep gekamd begeeft de straathoekwerker zich naar het Roma-jongetje met de fiets. Goorden kent de jongen. ,,Je moet een beetje geluk hebben om straatkinderen te treffen'', had hij aan het begin van de zoektocht gezegd. ,,Je moet het geluk hebben dat ze je kennen.''

Je moet ook weten op welke plaatsen je moet zoeken. De kinderen zijn meestal wantrouwig en staan niet te popelen om met vreemden te praten. Zelfs Goorden heeft maar met een beperkt aantal kinderen contact kunnen leggen in de tien jaar waarin hij al betrokken is bij straathoekwerk. Jimmy herkent Goorden, dus wil hij wel een praatje maken.

,,Het gaat goed thuis'', vertelt hij. Een oudere jongen in geel T-shirt komt tijdens het gesprek voorbij. Met een graaibeweging en een knikje in de richting van Jimmy waarschuwt hij: ,,Pas op, want hij pikt.'' Met stelen en bedelen krijgen straatkinderen wat geld bijeen. Kinderen als Jimmy worden door hun ouders vaak gebruikt om financieel bij te dragen tot het huishouden. ,, De ouders sturen hen in dat geval de straat op, in plaats van naar school. Dan moeten ze met geld terugkeren.'', vertelt Goorden. ,,Vaak nemen de straatkinderen ook zelf het initiatief omdat ze zich mee verantwoordelijk voelen voor de situatie bij hen thuis.''

De stap naar de prostitutie is klein voor die jongens. ,,Met niets anders kunnen ze op zo'n korte tijd zoveel geld verdienen'', legt de straathoekwerker uit. Hij zegt dat de moeder van Jimmy 's avonds wel eens instapt bij auto's in de buurt. ,,Dan komt ze een prijs overeen. Daarna stapt ze uit en stuurt ze Jimmy mee.''

,,Hoe jonger ze zijn, hoe meer ze kunnen verdienen in de prostitutie'', weet Goorden. ,,Maar daarover willen ze zelden praten, en nooit als er vreemden bij zijn.'' Hij schat dat er 200 à 250 Belgische straatkinderen in de prostitutie zitten.

In de prostitutie lopen de straatkinderen weinig kans om in handen van de politie te vallen. Als agenten hen vinden in dat milieu, brengen ze hen naar de ouders. ,,De politie ziet de kinderen uiteraard als slachtoffers in die situaties'', zegt Goorden. ,,Acties ondernemen tegen ouders die hun kinderen inzetten in de prostitutie, is moeilijk omdat de bewijslast zwaar is. Iedereen ontkent uiteraard bij een ondervraging. Eigenlijk moet je ze op heterdaad betrappen, maar ook dat is lastig omdat afspraakjes meestal via internet of mobiele telefoon worden gemaakt.'' De straathoekwerkers houden zich aan de zwijgplicht die voor hen geldt in België.

Als de politie kinderen betrapt die stelen, brengt ze hen naar de bijzondere jeugdzorg. Spijbelaars worden naar de school of de ouders gebracht. Maar omdat het vaak de schuld van de ouders is dat de kinderen niet op de schoolbanken zitten, heeft dat weinig effect.

,,Ik ga elke dag naar school'', beweert Jimmy fier. Met een stralende blik liegt hij even later: ,,Ik zit in het zesde leerjaar.'' Zijn zus staat naast hem en verbetert onmiddellijk: ,,Het vierde.''

Jimmy komt uit Kosovo. Met zijn familie woont hij in een straat vlakbij de kermis. Ze zijn gevlucht voor de oorlog in de Balkan. Jimmy's ouders zijn uitgeprocedeerde asielzoekers. ,,Eigenlijk mogen ze niet meer in België of een ander Schengenland zijn. Maar volgens de internationale regels mocht België ze niet terugsturen naar Kosovo'', zegt Goorden.

Hoofdschuddend kijkt Goorden naar Jimmy. De straathoekwerkers kunnen niet meer dan de kinderen een beetje positieve aandacht geven. Via de kinderen proberen ze ook de ouders te bereiken. Ze willen hen waarschuwen voor de gevaren die de kinderen lopen.

,,De situatie bij illegalen thuis is vaak schrijnend'', getuigt Goorden. ,,De stank is niet te harden. Er zijn vaak kakkerlakken en muizen.'' De straathoekwerkers delen pesticiden en vuilzakken uit. ,,Maar daarmee lossen we het probleem niet op'', beseft hij.

Als Goorden al een eindje verder is gewandeld, komt Jimmy hem achterna. Hij vraagt om wat geld. Met een grijns voelt de straathoekwerker in zijn broekzak. Uit de veelheid aan muntstukken in zijn handpalm lijkt Goorden er enkele te zullen uitzoeken. Plotseling deponeert hij de volledige inhoud in de geopende kinderhand. Jimmy fietst weg. ,,Dankjewel!''