Hoe beland je `aan gene zijde van de spiegel'

De Duitse schrijfster en kunstenares Unica Zürn (1916-1970) is vooral bekend geworden als krankzinnige. Dat had zij aan zichzelf te danken, aangezien zij over haar waanzin en haar verblijf in diverse psychiatrische inrichtingen een indringend boek schreef, dat in 1971 voor het eerst verscheen, in Franse vertaling: L'Homme-Jasmin. Impressions d'une maladie mentale. Het verscheen bovendien postuum, want het jaar daarvóór had de schrijfster, op 19 oktober, een eind gemaakt aan haar leven. Een tragisch leven, temeer daar traumatische jeugdervaringen (seksueel misbruik, zelfs verkrachting) aan de waanzin ten grondslag zouden hebben gelegen.

Het hoeft niet te verbazen dat met name psychoanalytisch georiënteerde, feministische literatuurwetenschappers zich geestdriftig op haar werk hebben gestort. Een typisch slachtoffer van de `vrouwonvriendelijke fallocentrische cultuur'! De Amsterdamse kunsthistorica Marion de Zanger pakt het in haar proefschrift Een verschrikkelijk verlangen naar verboden ogen heel anders aan. Niet het slachtoffer Unica Zürn staat bij haar voorop, maar de schrijfster en de beeldend kunstenares. In het bijzonder besteedt zij aandacht, zoals het in de ondertitel heet, aan Zürns `cultuurhistorische context'. Een zinnige benadering, die recht doet aan het oeuvre, waarvan De Zanger aannemelijk weet te maken dat het veel meer was dan alleen de expressie van Zürns gekwelde innerlijk.

Unica Zürn begon haar carrière als beeldend kunstenares, nadat ze in 1953 de vriendin was geworden van de surrealist Hans Bellmer. Zij verliet haar kinderen (van hun vader was zij al in 1949 gescheiden) en haar woonplaats Berlijn, om met Bellmer in Parijs een leven van arbeid en armoede te delen. Dankzij hem ontdekte zij haar talent als tekenares en als schrijfster van anagrammen: een hondsmoeilijk poëziegenre, waarbij telkens alleen de letters van de beginregel mogen worden gebruikt. Tot die tijd had zij enkel hoorspelen en verhaaltjes voor de krant geschreven; nu kwam zij terecht in het hart van de Parijse avant-garde, met vrienden en kennissen als André Breton, Henri Michaux, Hans Arp en Jean Dubuffet.

Het kan haast niet anders of dit artistieke milieu (de `cultuurhistorische context', die De Zanger bedoelt) heeft op de aard van haar werk een beslissende invloed gehad. Maar ook haar latere waanzin, die zich in de jaren zestig voor het eerst zou openbaren, staat er niet los van. Krankzinnigheid gold in surrealistische kring als een benijdenswaardige eigenschap, een geprivilegieerde toegang tot de onbewuste schatten die de mens met zich meedroeg. De surrealisten hadden allerlei technieken ontwikkeld om tot datzelfde onbewuste domein door te dringen, zoals de écriture automatique, die door Unica Zürn werd toegepast in haar tekeningen en gouaches.

Dat wil niet zeggen dat zij zonder meer tot het surrealisme kan worden gerekend. Met het surrealisme deelde zij bijvoorbeeld niet de door haar partner Bellmer (illustrator van Sade!) gecultiveerde perverse erotische obsessies; in haar hang naar het onbewuste en het `andere' had zij meer gemeen met Michaux en diens mystieke, door oosters denken geïnspireerde preoccupaties – zonder ook daar volledig mee samen te vallen, net zo min als met de art brut van Dubuffet of met de psychopathologische kunst van gekken en krankzinnigen, die destijds dankzij bevriende artistiek bevlogen psychiaters in de belangstelling kwam te staan.

In elk geval zou het onjuist zijn in Zürns werk overal de sporen van de latere waanzin te willen zien. Er is op zijn minst sprake geweest van een ingewikkelde wisselwerking. Ook kun je je afvragen in hoeverre haar traumatische jeugdherinneringen (die vooral in de prozatekst Dunkler Frühling uit 1969 worden beschreven) op authentieke feiten berustten. Zürn stond tegen die tijd onder vrijwel permanente psychiatrische behandeling en het zou niet de eerste keer zijn dat tijdens een therapie de grens tussen feit en fictie uit het oog werd verloren.

In L'Homme-Jasmin conformeerde Zürn zich het meest aan de in surrealistische kring populaire psychoanalyse, stelt De Zanger, die hierin een teken wil zien van ontgoocheling. Zürn was er kennelijk niet in geslaagd om vast te houden aan haar oorspronkelijke, mystiek gerichte pogingen om zichzelf te overwinnen en `aan gene zijde van de spiegel' te belanden.

Haar stimulerende tegenstrever daarbij was de mysterieuze `witte man' geweest, ook wel aangeduid als de `man in jasmijn', met wie zij behalve een droomachtige jeugdherinnering Henri Michaux bedoelde: de `kapitale ontmoeting' of amour fou (zoals de surrealisten het zouden hebben genoemd) die bepalend werd voor haar eigen richting en die naar een in teksten en op tekeningen verbeelde `andere' wereld leidde, waarin plaats was voor indianen, voor de tao, maar ook voor Herman Melville en diens Moby Dick.

De aanvallen van krankzinnigheid, steeds begeleid door heftige relationale conflicten met Bellmer, zouden deze fantasiewereld van zijn aantrekkingskracht hebben beroofd. Daarna restte slechts de waanzin als inspiratiebron, die Zürns artistieke aspiratie en productie ook in retrospectief begon te kleuren. Ten onrechte, meent Marion de Zanger. Dat Zürn zich in de laatste jaren van haar leven steeds meer met haar waanzin identificeerde, betekent niet dat die waanzin de bron van haar kunstenaarschap is geweest. Critici die haar hier te zeer op haar woord geloven, doen haar in feite onrecht.

Hoewel ook in Een verschrikkelijk verlangen naar verboden ogen lang niet alle raadsels worden opgelost, lijkt het mij de niet geringe verdienste van dit proefschrift dat daarin de complexiteit van werk en persoon van Unica Zürn in ere wordt hersteld. Alles ligt weer open ter interpretatie. Een goede aanleiding wellicht om de inmiddels nergens meer te vinden Nederlandse vertalingen De man in jasmijn en Donkere lente (uit resp. 1987 en 1983) opnieuw uit te brengen. Want deze beide autobiografische teksten getuigen niet alleen op aangrijpende wijze van de waanzin van de schrijfster, maar evengoed van haar onmiskenbare literaire talent.

Marion de Zanger: Een verschrikkelijk verlangen naar verboden ogen. Unica Zürn (1916-1970) in haar cultuurhistorische context. Amsterdam University Press. 322 blz. €71,60