Even de canon bijstellen

Ze worden wel de Terrible Twins genoemd, de dichters/critici Piet Gerbrandy en Ilja Leonard Pfeijffer. Ze delen een voorkeur voor experimentele poëzie. ,,De beste dichters nemen risico's.''

`Het is moeilijker om over poëzie dan over proza te schrijven'', vindt Piet Gerbrandy. ,,Dat dichters dat weer beter kunnen dan niet-dichters, is omdat wij dieper in de poëzie doordringen.''

,,Als dichter laat je je niet zo snel door een andere dichter in de luren leggen'', zegt Ilja Leonard Pfeijffer. ,,Als iemands poëzie niet meer dan een trucje is, dan krijgt een dichter daar jeuk van.''

Opvallend veel poëziecritici zijn ook dichter. Met reden, menen Gerbrandy en Pfeijffer. Ook zijzelf combineren het kunstenaarschap met het beoordelen van collega's. Gerbrandy (bij de Volkskrant) en Pfeijffer (bij NRC Handelsblad) hebben nog wel meer gemeen. Beiden zijn classicus, opgeleid aan de Leidse Universiteit, door dezelfde docenten en verbonden aan hetzelfde dispuut. Frapperend is vooral de overlappende smaak. Ze delen een voorkeur voor zintuiglijke, muzikale, experimentele en complexe poëzie. Favoriete dichter uit de klassieke oudheid: de notoir moeilijke Pindarus, op wie Pfeijffer promoveerde. Uit deze tijd: H.H. ter Balkt, Hans Verhagen. Gerbrandy is een adept van Claus, Pfeijffer van Lucebert.

Van hun opvattingen getuigen ze in polemisch gestelde essays. In zijn essaybundel Steeneik op de rotsen schreef Gerbrandy: ,,Ik hou van het oeverloze, van het onvoorspelbare en waanzinnige, van het ongerichte geraaskal, maar ook van het strakke, stille en klassieke. (...). Gedichten die zich tot volledige ontraadseling lenen, zijn trouwens niet interessant.'' Pfeijffer stelde in zijn essaybundel Het geheim van het vermoorde geneuzel: ,,De beste dichters nemen risico's. Goed schrijven is gevaarlijk. (...) De klare taal die verstaanbare dichters bezigen is oninteressante taal, omdat het de taal is die we de hele dag al om ons heen horen leuteren.''

Pittig karwei

De dichter-criticus zou dieper doordringen in een gedicht. Hoe werkt dat? Gerbrandy: ,,Ik vind het fijn om filoloog te zijn. Wat altijd moet in een recensie is op één punt echt de diepte ingaan. Je moet een vondst doen, iets verhelderen wat in eerste instantie niet duidelijk is. Dat kan voor een lezer de sleutel zijn, een ingang voor de rest van de bundel.'' Pfeijffer: ,,Ik heb de neiging om exemplarisch te zijn. Desnoods maar één gedicht te behandelen.'' Gerbrandy: ,,Dat gaat mij te ver.'' Pfeijffer: ,,Het voordeel is dat je dan echt kunt laten zien hoe het gedicht werkt en dat is vaak te prefereren boven een beschrijving.'' Tegen Gerbrandy: ,,Jij bent lange tijd elk stuk begonnen met: `Je kunt poëzie indelen in A en B.' En dat was elk stuk een andere tweedeling.'' ,,Ja, dat heb ik een tijd gedaan om duidelijk te maken dat iedere indeling volstrekt arbitrair is.''

Aanleiding voor deze aanpak was een verwijt van Elly de Waard dat de meeste poëziecritici een voorkeur hadden voor autonome, moeilijke (lees: mannelijke) poëzie, waardoor anekdotische, romantische (lees: vrouwelijke) gedichten ondergewaardeerd zouden worden. Gerbrandy: ,,Dat is een indeling die niet klopt. Alle poëzie is tot op zekere hoogte anekdotisch en alle goede poëzie is in zekere zin ook autonoom. Een gedicht is een zelfstandig kunstwerk waarvoor je de dichter niet hoeft te kennen.''

Dat de voorkeuren van Pfeijffer en Gerbrandy overeenkomen, leidt geregeld tot wrevel bij andersdenkenden. Pfeijffer: ,,We worden wel de Terrible Twins genoemd.'' Een lichtvoetiger dichter als Ingmar Heytze klaagt dat de `gevestigde orde' hem niet ziet zitten. Een toegankelijk schrijvend dichteres als Hagar Peeters stelt onomwonden dat er een `taboe' heerst op bepaalde soorten poëzie.

Vormen ze een machtsblok? Gerbrandy: ,,We zijn het op een aantal punten soms eens. Maar misschien hebben we wel gelijk.'' Pfeijffer: ,,Stel dat het poëzieklimaat wordt beïnvloed door mijn smaak, dan sta ik te juichen. Dan gaat het de goede kant op. Helaas is dat natuurlijk niet zo.'' Gerbrandy: ,,Wij zullen nooit de verkoopcijfers van Jean Pierre Rawie of Anna Enquist kunnen beïnvloeden.'' Maar misschien wel van vergelijkbare dichters die een positieve recensie goed kunnen gebruiken? Gerbrandy: ,,Bundels die matig zijn, maar de moeite waard, daar moet ik iets pittigs over kunnen zeggen. Dat moet soms met een grote mond. Als mensen het niet bevalt: laten ze dan zelf gaan schrijven. Elly de Waard verwijt recensenten hun machtspositie. Kom maar op met je stukken.''

Vorig jaar verweet Ter Braak-biograaf Léon Hanssen Gerbrandy en

Pfeijffer in het dagblad Trouw seksisme en een mannelijke afkeer van de literaire verwerking van autobiografisch lief en leed. Gerbrandy verdedigde zich in Trouw met de stelling dat `aan een goed gedicht existentiële emoties ten grondslag liggen', maar dat omgekeerd de emotie niet bepaalt of een gedicht goed is. ,,Dat we van testosteron aan elkaar hangen, valt niet te ontkennen en daar zijn wij ook trots op.'' Het is wat anders om dat als norm te hanteren. ,,Ik kraak Enquist niet af omdat ze vrouw is of over gevoelens schrijft, dat is bullshit. Ze schrijft slechte poëzie, larmoyante kitsch. Ze schrijft regels als: `Zon, vurigste bal, klimt in de stad.' En: `zo'n bloemblad is fluweel/ aan je vingers'. Ze durft het woord `strijklicht' nog te gebruiken! Maar dergelijk doodzondes vind ik ook bij mannen als Jean Pierre Rawie en Ruben van Gogh.''

In zijn recensies is de ex-leraar Gerbrandy didactischer ingesteld dan demagoog Pfeijffer die graag informatie offert voor een mooie hyperbool. Wat zien ze zelf als belangrijk verschil? Gerbrandy: ,,Het is in de eerste plaats een verschil in presentatie. We schrijven anders. Ik ben, geloof ik, een stuk serieuzer dan Ilja. Voor hem is literatuur een spel, voor mij een zaak van leven of dood. Ik zie mijn taak als recensent als een intellectuele plicht.'' Pfeijffer: ,,Hij is de calvinist en ik de katholiek. Hij is rechtlijnig en serieus, terwijl ik de charmes ken van verlokkingen, vertoon en andere bijzaken die het leven zo leefbaar maken.''

,,Dat verschil, zegt Pfeijffer, ,,maakt dat Piet mijn poëzie opvat als louter spel. Te veel beelden, te veel orgelpunt, te veel glas in lood; dat leidt in zijn ogen af van de ware boodschap van het woord. Voor een kenner van retorica heeft hij eigenlijk opvallend weinig gevoel voor de retorica van mijn poëzie, die voor een groot deel is gelegen in de overrompelende werking van overvloed, vooral in de laatste bundel.''

Gerbrandy: ,,De beste redenaars zijn diegenen die staan voor hun zaak en overtuigen omdat ze gelijk hebben. Niet omdat ze hun stijlfiguren kennen.''

Bij het recenseren is het verschil minder duidelijk, maar wel aanwezig. Pfeijffer: ,,Gerbrandy is in de kern van de zaak het meest geïnteresseerd in een antwoord op de vraag wat een dichter te melden heeft. Ik vind het belangrijker om uit te zoeken hoe hij of zij het meldt. Ik heb begrepen dat goede poëzie goed is door de vorm en nooit door de inhoud. Dat geldt voor alle kunstvormen. Gerbrandy weet dat ook wel, maar hij heeft de hoop nog niet opgegeven dat het toch andersom zou kunnen zijn, want dat is wat hij diep in zijn hart het liefste zou willen.''

Gerbrandy: ,,Ilja heeft wel een beetje gelijk, maar vorm zonder krachtige, belangrijke inhoud is spielerei. Bij twee teksten waarvan de vorm even virtuoos is, verkies ik de tekst met de krachtigste lading. Ik heb 22 jaar lesgegeven en – vooral – twee kinderen grootgebracht. Alles wat tijd kost zonder dat het diepgang oplevert, vind ik zonde van mijn energie. ''

Prevelen

Een enkele keer levert een recensie poëtisch materiaal op. Een negatieve recensie over de nagelaten gedichten van Hans Faverey besloot Pfeijffer met het apodictische: `Poëzie is geen poging tot pogen te prevelen wat de onuitsprekelijk sensibele ziel in eenzelvige stilte denkt niet te vermoeden omtrent het onzegbare, want wie zich het zeggen ontzegt zal niet zingen.' Wat Pfeijffer de criticus schreef kon de dichter Pfeijffer goed gebruiken als eerste strofe, opgedeeld in zes regels, van een nieuw programmatisch gedicht, `Vuurvogel'.

Het werk van de in 1990 overleden Hans Faverey is door Pfeijffer geregeld gekozen als steen des aanstoots. Zijn debuutbundel De vierkante man (1998) opent met het bespotten van diens beroemde gedicht `Chrysanten, Roeiers'. Pfeijffer: ,,Het probleem is niet Faverey zelf. Hij staat symbool voor een bepaald type poëzie: het omcirkelen van het absolute niks, een mededeling zodanig dramatiseren dat het gedicht erover gaat dat een gedicht eigenlijk nergens over kan gaan. Dat is poëzie die zichzelf opheft. Die de witte pagina is. Eind jaren negentig, toen ik debuteerde, had ik nog steeds last van een poëzie-ideaal dat terugging op Faverey: die echt autonome poëzie. Ik kreeg van mijn debuutbundel geen gedicht gepubliceerd in welk literair tijdschrift dan ook. Peter Nijssen van de Arbeiderspers vond het leuk om mijn bundel uit te geven omdat het eigenlijk niet kon.''

Tien jaar eerder hadden Joost Zwagerman en de Maximalen zich al luidruchtig afgezet tegen de Faverey-epigonen. ,,Volgens Zwagerman heb ik gedaan wat zij als Maximalen wilden, maar niet konden. Ik was het antwoord op Faverey.''

De guerrilla van Pfeijffer gaat nog voort, gezien zijn stukken tegen Nooteboom en Kopland. Pfeijffer: ,,Dat is een andere guerrilla. De poëzie van Nooteboom vind ik vals. Je kunt het zo nadoen. Dat ik een keer alles uit de la trek om Kopland de neus te poederen is vooral omdat hij door heel Nederland kritiekloos wordt omarmd vanuit het idee: `Zo moet poëzie zijn'. Het gaat me ook om hun onaantastbare reputatie.'' Gerbrandy: ,,Een van je taken als recensent is om zo nu en dan de canon bij te stellen.''

In een essay schreef Gerbrandy dat ,,van een beroepslezer mag worden verwacht dat hij zich voor alle genres openstelt''. Doet Pfeijffer dat wel? ,,Natuurlijk. Bij elke nieuwe bundel ben ik bereid me te laten verrassen. Zelfs als ik vooroordelen heb tegen de dichter in kwestie zal ik mijn uiterste best doen zonder vooroordelen te lezen. Maar er is zoiets als objectieve kwaliteit.''

Er is ook zoiets als uitgesproken smaak. Gerbrandy tegen Pfeijffer: ,,Soms doe je leuk met een dichter als slachtoffer. Iemand neersabelen is toch een serieuze zaak. Dan denk ik: plaats jezelf niet zo op de voorgrond!'' Pfeijffer: ,,Het zou pas echt ver gaan als ik mezelf uit het stuk zou schrijven. De lezer laten zien hoe ik tot een oordeel kom, is een vorm van eerlijk zijn. Het kan er ook voor zorgen dat het stuk minder hard bij de dichter aankomt.''

Hoe objectief kan een recensie zijn? Gerbrandy: ,,Neem bijvoorbeeld Willem van Toorn, een gerespecteerd dichter die heus wel goede dingen heeft geschreven. Zowel Ilja als ik hebben geconstateerd dat de laatste bundel het ene cliché na het andere bevat. Dat kun je objectief aantonen.''

Is het benoemen van clichés niet ook een kwestie van persoonlijke achtergrond en ervaring? Pfeijffer: ,,Iets is op vergelijkbare manier in vergelijkbare context al honderd keer gedaan. Als je dat accepteert als definitie van cliché is dat objectief, dat heeft verder niets met smaak te maken.''

In een stuk over de nominaties voor de VSB Poëzieprijs van 2002 noemde Pfeijffer de poëzie van Gerrit Krol een trucje, clichématig en opgeknipt proza. In deze krant schreef Kester Freriks dat de bundel hem had ontroerd. Pfeijffer: ,,Ik vond het niks, dat had meer met smaak te maken dan bij Van Toorn.''

Oncontroleerbaar

Arjen Duinker won eind april de VSB Poëzieprijs voor de beste bundel van 2004. In zijn krant uitte Gerbrandy zijn verbazing over de bekroning van Duinker. ,,Hij schrijft poëzie die duidelijk niet de mijne is, maar hij doet wel iets wat anderen niet doen en hij komt langzamerhand op een terrein dat interessanter begint te worden. Maar het raakt me niet.'' Pfeijffer: ,,Duinker doet vaak dingen die ik nooit zou willen, waarvan ik ook vind dat je dat niet moet willen, maar als je dat dan wil, dan moet je het zo doen.''

Is geraakt worden toch een criterium? Dat laat zich lastig beargumenteren. Gerbrandy: ,,Klopt, het is volstrekt oncontroleerbaar. Maar het is simpel: je gaat af op wat er met je gebeurt als je leest. Gebeurt er niets, dan is het poëzie van minder allooi.'' Een voorbeeld. ,,Nachoem Wijnberg raakt mij zoals Beckett dat doet. Een schrijver die probeert zo kaal mogelijk iets heel ingewikkelds te zeggen en doordat hij zo intellectueel bezig is jou een helderheid verleent die emotioneel raakt.'' Tegen Pfeijffer: ,,Jij houdt er niet zo van, hè?'' Pfeijffer: ,,Het heeft iets onbeholpens en dat is boeiend.''

Onlangs bespraken de twee mannen voor het eerst elkaars nieuwe bundel. In hun eigen krant deden collega's dat. Gerbrandy's Drievuldig feilloos vals werd door Kees Fens welwillend besproken; al werd het Fens soms allemaal `te dol'. Gerbrandy: ,,Dat Fens mij daarbij de meest onbeschaafde dichter van Nederland noemt, is wel weer fijn. Goeie pr.'' In deze krant concludeerde Guus Middag over In de naam van de hond dat de poëzie van Pfeijffer hem de keel uithing. Gerbrandy: ,,Dat was een vermakelijk stuk, omdat hij zich zo ontzettend opwond en er helemaal naast zat, aangezien hij totaal geen affiniteit heeft met dit soort poëzie.''

Gerbrandy schreef dat Pfeijffers bundel `stond als een huis', maar introduceerde hem met de opmerking dat velen hem een `arrogante vlerk' vinden. ,,Dat deed ik om de buitenwereld duidelijk te maken dat mijn recensie geen spelletje van classici of poëzierecensenten onder elkaar is die elkaars werk kritiekloos steunen.'' Pfeijffer: ,,Ik heb het er zelf naar gemaakt, maar zulke aankondigingen beginnen me wel geweldig te ergeren. Wat ik eraan kan doen? Weet ik niet. Ik ga mezelf niet intomen.''

Ook de karakterisering van grappenmaker bevalt Pfeijffer maar matig. Gerbrandy: ,,Dat is langzamerhand de instelling waarmee veel mensen zijn werk lezen. Ik begon ook met een zekere reserve – dat komt door Het grote baggerboek, dat ik een uit de hand gelopen grap vond.'' Pfeijffer: ,,Van mijn werk wordt vaak beweerd dat het virtuoos is. Maar voor veel mensen is virtuositeit een synomiem voor inhoudsloosheid. Dat ergert mij in toenemende mate: de misvatting dat aandacht voor de vorm zou betekenen dat het nergens over gaat. Ik wil de lezer schokken en ontroeren met mijn gedichten, door zorg te besteden aan de vorm, door de taal niet alledaags te laten zijn.'' Gerbrandy: ,,Goede literatuur reikt naar het sublieme en het sublieme is altijd een beetje belachelijk, zoals bij opera. Maar op het grensvlak van schoonheid en kermis wordt kunst pas echt interessant.''

Gaat het bij Pfeijffer ergens over? Gerbrandy: ,,Waar hij goed in is, is meeslepend schrijven over erotiek. Over een obsessie voor een vrouw waar je niet los van komt, terwijl je weet hoe belachelijk dat is en hoe hulpeloos je bent.'' En vice versa? Pfeijffer: ,,De botsing tussen het aardse en het intellectuele: de verheven gedachte met het besef dat het absurd is een verheven gedachte te hebben en ook bij voortduring te worden gekweld door het lijf en andere tekortkomingen. Die tegenstelling wordt nooit opgelost.'' Gerbrandy: ,,Ja, ik voer constant een strijd tussen de monnik en de zuiplap in mij, tussen de denker en de man van de onderbuik. Als dat oplosbaar zou zijn, had ik een heel saai leven.''

Gaat voor een professionele lezer het authentieke plezier verloren? Pfeijffer: ,,Ja, dat is wel jammer. Ik kijk als collega-timmerman: hoe het staketsel in elkaar zit, de fundering.'' Gerbrandy: ,,Dat heb ik ook.'' Pfeijffer: ,,Maar ik doe relatief veel debuten en dan word ik vaak overrompeld. Zoals bij Mischa Hamel en bij Erik Jan Harmens. Zo'n authentieke ervaring is ook lastig onder woorden te brengen.'' Gerbrandy: ,,Het overkomt mij ook een aantal keer per jaar. Bijvoorbeeld bij die eerste bundel van Mark Boog. Toen was ik echt van de kaart, zo goed vond ik het. Dat is toch een voorrecht, om onderuitgehaald te worden door het werk van een dichter.''