Een zuinig Europa

Tegen de achtergrond van een Europees grondwettelijk verdrag waarvan allerminst vaststaat dat het wordt bekrachtigd, onderhandelt Brussel op dit moment over de begroting van de Unie in de jaren 2007-2013. Traditioneel horen deze gesprekken tot de belangrijkste en moeilijkste die in EU-verband worden gevoerd. De huidige voorzitter van de Europese Unie, Luxemburg, heeft de weinig benijdenswaardige taak om voor eind juni met een akkoord over de meerjarenbegroting te komen. Delen van een (voorlopig) compromisvoorstel stonden gisteren in de Britse zakenkrant Financial Times. Wat opvalt is dat voorzitter Luxemburg – een rijk land met een financiële traditie en een reputatie van zuinigheid – van mening verschilt met het bestuur van de Unie over de hoogte van de toekomstige uitgaven en dat de preses een oud en gevoelig punt wil aanpakken: de Britse korting op de Europese bijdrage.

Luxemburg vindt dat de totale uitgaven van de Europese Unie niet mogen stijgen naar 1,26 procent van het bruto nationaal inkomen van alle EU-lidstaten samen, een percentage dat de Europese Commissie eist. 900 miljard euro voor de periode 2007-2013 is genoeg, meent de voorzitter, ofwel onder de 1,10 procent van het bruto nationaal inkomen. De Luxemburgse zuinigheid valt weliswaar toe te juichen, maar gaat niet ver genoeg. De bijdrage aan de EU van maximaal 1 procent die Nederland, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Oostenrijk en Zweden eisen, is voldoende. Een Unie die bestaat uit 25 lidstaten moet het om te kunnen overleven vooral van soberheid hebben. Wat geld en aspiraties betreft. Het is al te verleidelijk om de geldkraan open te draaien met als argument dat de uitbreiding met tien nieuwe leden nu eenmaal moet worden gefinancierd. Een Europa `op een koopje' is ongewenst, vindt de EU-Commissie. Maar zinniger is het om te kijken waar gesneden en gesaneerd kan worden; waar subsidies kunnen vervallen of beter kunnen worden gebruikt; waar op bureaucratie en beleid kan worden bezuinigd. Koopjes kunnen juist heel aantrekkelijk zijn.

Het andere punt, de Britse korting, is uit principieel oogpunt net zo belangrijk als de hoogte van de totale bijdrage. De Britten genieten al sinds een kordaat optreden van de toenmalige premier Margaret Thatcher een forse korting op hun jaarlijkse betalingen aan Brussel. Op deze plaats is eerder gezegd dat daaraan een eind dient te komen. De Britse uitzonderingspositie behoort tot de categorie verworven rechten, maar gaat wèl ten koste van een nettobetaler als Nederland, dat relatief meer aan de Unie bijdraagt dan enige andere lidstaat. Het bevriezen en vervolgens gefaseerd ongedaan maken van de reductie kan ten goede komen aan lidstaten die nu verhoudingsgewijs te veel betalen. De realiteit gebiedt te zeggen dat dit deel van het Luxemburgse voorstel hoogstwaarschijnlijk door de Britten wordt afgeschoten. Het is onhaalbaar, maar dat maakt het nog niet onbespreekbaar. De retoriek erover leidt in ieder geval tot het publieke besef dat hier iets scheef zit.

Kortom, Nederland moet blijven vasthouden aan zijn eis tot een beperktere bijdrage aan de Unie. Zuinigheid is het Europese trefwoord van dit moment.