Een hete vergeetput voor verschoppelingen

Gevangenissen op het Ivoriaanse platteland zijn een afvalbak voor verschoppelingen en arme criminelen. De enige wens van Prospère: ,,Hier levend uitkomen.''

Aan het einde van de rondgang door de gevangenis, als vier uitgeteerde en met zweren bedekte mannen lusteloos voor een foto hebben geposeerd en de schamele koopwaar is uitgestald, mag Prospère even uit zijn cel voor een gesprek onder vier ogen. Dat blijkt een rekbaar begrip, want de cipiers komen er gezellig bij staan, net als een paar jongens die deze kans op contact met de buitenwereld niet laten lopen. Hoor eens, we doen hier niet aan privacy, zegt een van de bewakers grinnikend. Prospère gaat zitten, blij, onzeker, belangstelling heeft hij in jaren niet gehad. De rituele littekens op zijn wangen verraden een eenvoudige afkomst: Prospère is een immigrant, hij kwam lang geleden naar Ivoorkust om taxichauffeur te worden.

Prospère woont sinds vier jaar in een cel met 94 andere gevangenen. Hun aantal varieert van week tot week: soms wordt er iemand vrijgelaten, vaker gaat er iemand dood. Het woord cel dekt de lading niet helemaal. Het is een onbeschutte binnenplaats van enkele tientallen vierkante meters met een douche en drie wc's. Langs de achtermuur is een slaapvertrek gebouwd, een onverlichte en ongeventileerde gang die zo benauwd is dat hij de mannen overdag de zon in jaagt. Het is stikken of verschroeien in het Huis van Bewaring en Correctie van Dimbokro, een willekeurig maar representatief voorbeeld van het gevangeniswezen in West Afrika. Hier zitten ruim driehonderd gevangenen als varkens in de bio-industrie op elkaar gepakt. Hun dagelijkse portie maïspap koken ze zelf.

Gevangenissen op het platteland zijn een vergeetput voor verschoppelingen en criminelen die te arm zijn om hun vrijheid te kopen. Rechters zijn niet vies van onderhandelen. Maar dan moet je wel geld hebben. Prospère werd opgepakt met twee vrienden na een gewapende overval op een cacaohandelaar. Hij werd gedreven door armoede, net als de meeste mannen in zijn cel, die soortgelijke misdrijven hebben gepleegd. ,,Het was mijn eerste keer'', zegt hij nu. ,,Ik bid iedere dag om vergiffenis en ik heb God beloofd dat ik het nooit meer zal doen.'' De overval had hem 50 euro moeten opleveren. Bezoek krijgt hij nooit. Het telefoonnnummer van zijn vrouw in Burkina Faso is hij vergeten. Zij weet van niks, en dat laat Prospère liever zo. ,,Als ik haar ooit terugzie, zeg ik: `Er was een probleem'.''

Wegens goed gedrag werd Prospère door de schappelijke en loom rondsloffende cipiers aangesteld als leider van zijn binnenplaats. Een strenge hierarchie houdt de mannen in het gelid. De kleinste ruzie wordt onmiddellijk in de kiem gesmoord. De leider wijst op zijn beurt degenen aan die verantwoordelijk zijn voor het slaapvertrek, de sleutel van de stalen deur, de douche en de `iezjen', de hygiëne. De bloedhete bunker wordt dagelijks opgeruimd, geordend en geveegd.

Maar bacterieën laten zich niet wegvegen. In de cel wordt uit de kring van halfnaakte veroordeelden een uitgemergelde man naar voren geduwd. Hij heeft zwarte aidsvlekken op zijn huid en een etterende wond aan zijn voet. Hij stinkt, wijst een groepsleider. ,,We hebben gevraagd of hij naar de ziekencel mag.''

In het kantoor van de verpleger staat op een kalender aangekruist wanneer de laatste gevangene overleed. Dat was op 30 april. ,,Tsja'', zegt Parfait Gouanou. Alsof hij er iets aan kan doen. In zijn eentje moet hij iedereen verplegen. Ook de skeletten in de ziekenboeg, een net zo kale binnenplaats als de andere. De ziektes zijn hardnekkig. Diarree. Ondervoeding. Tuberculose. Malaria. Herpes. Over aids wordt gezwegen. Herpes is erg besmettelijk, weet Gouanou. ,,Helaas heb ik daar geen medicijnen voor, want mijn hele budget gaat op aan tbc en malaria.'' De noodgevallen worden naar een ziekenhuis in de stad gebracht. Dan laat de gevangenisdirecteur een taxi halen. ,,Dat kan even duren'', zegt de verpleger. ,,Soms is de zieke dood als de taxi arriveert.''

Medelijden met moordenaars en bandieten is een luxe die de meeste Afrikanen zich niet kunnen veroorloven. Het leven is al hard genoeg. Onderling kunnen de gevangenen wèl op steun rekenen. Ellende maakt solidair, zegt Prospère. Naast criminelen zit het vol met pechvogels, arme luizen die geen advocaat kunnen betalen of simpelweg door het lot een loer werden gedraaid.

De aanvoerdster van de zes vrouwelijke veroordeelden in Dimbokro heeft drie jaar achter de rug voor doodslag. Ooit sloeg zij haar tante. Een ordinaire ruzie. Ik vond dat zij mijn oom het graf in had gejaagd. Op zijn begrafenis kregen we mot. Ik gaf haar een klap. Drie dagen later was ze dood.'' Een cipier vraagt aandacht voor een 12-jarige straatjongen die een jaar geleden een joint rookte en sindsdien voorlopig in hechtenis zit. Hij is verstoten door zijn familie.

De celgenoten van Prospère hebben een verlanglijstje. We zouden graag zeep, bleekwater, en een borstel of een bezem willen hebben. Maar bovenaan staat: een voetbal. De monotonie is moordend. Prospère weeft waaiers van plastic draden die hij uit slaapmatten trekt. Om niet gek te worden. Hoopvol biedt hij ze te koop aan. Tien eurocent. Prospère heeft nog elf jaar te gaan. Zijn twee makkers zijn intussen overleden. Hij heeft nog maar een wens. ,,Ik wil hier levend uitkomen.''