Een gokker die niet kan verliezen

Willem de Kooning wilde de grootste kunstenaar zijn, de grootste minnaar en de grootste drinker. Daar is veel van terechtgekomen, blijkt uit een nieuwe, uitstekende biografie.

Bestaat er zoiets als een voorbeeldige biografie? Ja, en die is dit keer gewijd aan het turbulente leven van Willem de Kooning (1904-1997). Tien jaar lang hebben de Amerikaanse kunstcriticus Mark Stevens en journaliste Annalyn Swan onderzoek gedaan voordat zij De Kooning. An American Master presenteerden, inmiddels bekroond met de Pulitzer Prize. Voorbeeldig wil zeggen dat er op dit moment geen beter boek over deze abstract-expressionstische schilder denkbaar is. Het is puntig en glashelder geschreven, met vaart en souplesse, met oog voor detail en met respect, in plaats van adoratie. De schrijvers hebben zich verre gehouden van schimmig kunsthistorisch jargon, maar verwerkten wel een groot aantal citaten en vooral treffende biografische portretten van vrienden, collega's, verzamelaars en galeriehouders die De Koonings pad kruisten.

Dat pad is ingebed in het sterk veranderende, naoorlogse kunstklimaat. Amerikaanse kunstenaars en verzamelaars moesten vanaf halverwege de negentiende eeuw altijd de oceaan over om in Parijs te kunnen zien wat er in de wereld aan beeldende kunst écht toe deed, zoals Annie Cohen-Solal tot in de finesses heeft opgeschreven in haar boek Naar levend model (2003). Europa was en bleef de bakermat van de culturele voorhoede. Maar toen Amerika als superieure overwinnaar uit de Tweede Wereldoorlog kwam, was het land er veel aan gelegen om het provincialisme van zijn sociaal-realistisch werkende schilders van zich af te schudden: wég met Parijs, wég met die arrogante Europeanen – de avantgarde hoorde thuis in Amerika. Die coup lukte inderdaad, om vele redenen, maar vooral dankzij abstract-expressionisten als Jackson Pollock, Willem de Kooning, Mark Rothko en Franz Kline – schilders die aanvankelijk de natie choqueerden, maar eind jaren vijftig de trots van het Amerikaans establishment werden.

De Kooning begint waar het beginnen moet. In Rotterdam, de stad die de schilder de laatste jaren hoog in het vaandel heeft staan en nu een overzicht van zijn werk brengt in De Kunsthal (t/m 3 juli). Maar als er één stad was die De Kooning in zijn geheugen liever kwijt dan rijk was, dan was het Rotterdam wel. Armoede, ruziënde ouders en emotionele verwaarlozing hadden er zijn jeugd getekend. Hij zocht er als puber vertier langs de havenkades, droomde weg bij water, licht en lucht die voor hem ruimte en vrijheid symboliseerden. Aan de raakvlakken van die elementen heeft hij later, aan de Amerikaanse oostkust, zijn meest poëtische schilderijen gewijd.

Art Nouveau

Dankzij de gebroeders Gidding die een schilders- en decoratiebedrijf hadden, leerde hij het ambachtelijk schilderen en marmeren. De lenigheid van bochtige en hoekige lijnen waar De Kooning furore mee zou maken, is in zekere zin terug te voeren op de Art Nouveau-wervelingen die hij zich op dat atelier had eigen gemaakt. Over het reilen en zeilen van zo'n werkplaats én van het nog zeer conservatieve onderwijs op de academie, dat De Kooning in de avonduren volgde, kom je veel te weten. En dat is een andere verdienste van het boek: het historische, sfeervolle beeld dat er van Rotterdam in geschetst wordt.

Eenmaal als verstekeling, 22 jaar oud, aangekomen in Amerika, valt het vlakke landschap van Virginia hem tegen. Geen spoor ook van de jazz-scene, de filmwereld, de blondies en `the rich and famous' waar hij van jongs af aan Amerika romantisch mee associeerde. Maar terwijl hij in Hoboken gewoon weer aan de slag moet in Gidding-achtige baantjes, leert hij stap voor stap New York en zijn Europese immigranten kennen. Hij verzeilde er tussen de bohémiens in Greenwich Village, begint aan de eerste van talloze verhoudingen, verhuist aan de lopende band en leert vooral veel slang – `hot potato', `smart cookie', `terrific' – om te camoufleren dat hij nauwelijks Engels spreekt.

De ontmoeting begin jaren dertig met Arshile Gorky, een autodidact die wegens de Turkse genocide zijn geboorteland Armenië was ontvlucht, werd van cruciale betekenis. Stevens en Swan betogen zelfs dat De Kooning het nooit als kunstenaar in Europa zou hebben gemaakt, omdat hij er simpelweg Gorky niet tegen het lijf had kunnen lopen. Voor Gorky, dramatisch in dit boek neergezet, waren leven en kunst, heden en verleden, onlosmakelijk met elkaar verbonden. Kunst van de Renaissance was `news that stays news'. Originaliteit moest geen doel op zichzelf zijn. Hoewel De Kooning in die tijd sterk onder de indruk was van MiRÒ en Picasso, gaf hij zich naar eigen zeggen onvoorwaardelijk over aan Gorky's ideeënwereld. Hij imiteerde ook het eindeloos opbrengen en weghalen van verflagen en hij was Gorky schatplichtig in de zwierige lijnvoering en de niet thuis te brengen, organische vormen die vrijelijk over het linnen mogen dansen.

De Kooning kreeg weldra de ambities waar Amerikaanse sporthelden mee behept zijn. Dat blijkt ook uit het net verschenen Nederlands-Engelse boekje Willem de Kooning: een portret van Bert Schierbeek (1918-1996), die in 1964 de al beroemde kunstenaar opzocht in zijn laatste, twaalf meter hoge, scheepsrompachtige atelier op Long Island, en hem in zijn tekst veelvuldig aan het woord laat: `Ik wil de grootste kunstenaar zijn, de grootste minnaar en de grootste drinker', zei hij bij die gelegenheid – en daar is veel van terechtgekomen. Razend kon De Kooning worden als zijn machtige rivaal Jackson Pollock, `the comboy of painting' zoals hij hem noemde, weer eens werd bejubeld in een recensie van de invloedrijke criticus Clement Greenberg. Op een dag in 1956 werd het probleem Pollock opgelost, schrijven Stevens en Swam: `de cowboy', voor de zoveelste keer beschonken, reed zich te pletter. Op diens begrafenis was De Kooning triest én opgelucht: ,,Ik zag Jackson in zijn kist. [...] Het is over. Ik ben `number one!'.''

Schierbeek, destijds door Meulenhoff voor dat interview op pad gestuurd, was geïmponeerd door zijn `vriend' met de `zeemansogen', die na bijna veertig Amerikaanse jaren nog steeds verhollandst Engels sprak: `Anything you can tink of is a ting.' Hoewel De Koonings zenboeddhistisch getinte uitspraken jonge Amerikaanse kunstenaars vaak hebben aangesproken, is hij bij Schierbeek nauwelijks op scherpzinnigheid te betrappen: `De geschiedenis van de kunst staat los van alle geschiedenis maar is er wel mee verbonden' en `er is niets positiefs aan kunst, behalve dat het een woord is'. Over de kunst van het kijken en over de praktische verftoepassingen kon hij wel zinnige dingen zeggen. Hij vergeleek zichzelf met trompettist Miles Davis: `die buigt zijn noten, en ik buig de verf'. Overigens zag De Kooning zichzelf niet als abstract-expressionist, hij heeft de figuratie nooit vaarwel gezegd.

Grand old man

Behalve Gorky geven Stevens en Swan in hun boek veel ruimte aan Elaine Fried, vanaf 1938 zijn wettige, eigenzinnige en bazige echtgenote, die jarenlang uit zijn leven verdween om in de schemerige slotfase van de dementie weer op te duiken. Ze liet een regiment assistenten opdraven om haar man te verzorgen, om vroegere tekeningen op het doek te projecteren en door hem te laten overschilderen, want De Kooning was als de `grand old man' van de Amerikaanse schilderkunst een lucratieve merknaam geworden. Die status dankte hij vooral aan de Amerikaanse verzamelaar Joseph Hirshhorn. Van straatarm joods jongetje was Hirschhorn dankzij de beurs en het winnen van uranium zo rijk geworden dat hij de bijna failliete De Kooning in 1964 met een maandelijkse toelage min of meer in dienst nam. Twee self-made men die elkaar wel lagen. Eerst kocht hij een dozijn schilderijen, vooral uit diens meest spraakmakende serie die de goede smaak van zijn landgenoten tartte: Vrouwen. Deze grijnzende, dominante types, schijnbaar met razende wellust op het linnen gesmeten, worden wel in verband gebracht met de hysterische moeder van De Kooning en met Elaine, die ook het bloed onder zijn nagels vandaan kon halen. Voor latere Vrouwen bekeek De Kooning gewoon de Penthouse en de Playboy, of de popmeiden op de televisie die thuis voor het achtergrondgeluid vaak aanstond.

De weg naar de roem heeft extreem diepe dalen gekend. In de jaren zestig en zeventig kreeg De Kooning tentoonstellingen genoeg, daar lag het niet aan. Hij reisde ook regelmatig, naar Japan, naar Italië en ook een keer naar Nederland, voor zijn door Edy de Wilde georganiseerde overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum (1968). Maar of het nu stress, depressie of onbewuste sabotage was, steeds weer werd de alcohol hem bijna fataal en volgde de zoveelste ziekenhuisopname. Nog één keer zou hij mateloos verliefd worden, op een rijke, jonge, getrouwde vrouw van in de dertig. Emilie Kilgore was in de jaren zeventig het doelwit van vele, ontroerende liefdesbrieven, een affaire die in dit boek is neergezet als een happy ending van De Koonings toen nog zelfbewuste bestaan. Ook als Emilie er niet was, schreef hij, was ze altijd bij hem. Eindelijk had hij een vrouw verinnerlijkt en zoals vaker bij zo'n nieuwe relatie schilderde hij weer als `de gokker die niet kan verliezen', zoals hij zichzelf omschreef.

Hoewel pop-art kunstenaars als Rauschenberg, Warhol, Jasper Johns en Lichtenstein inmiddels de abstract-expressionisten al naar de achtergrond hadden verdreven, opende her en der op de wereld de ene na de andere De Kooning-show. De meester zelf had er toen geen weet meer van. Hij doolde dement rond in dat immense atelier op Long Island. Iedereen die hem met raad en daad had bijgestaan was overleden: zijn vrouw Elaine, de criticus Harold Rosenberg, zijn onvermoeibare galeriehouder Xavier Fourcade en Gorky, die in 1948 onder erbarmelijke omstandigheden zelfmoord pleegde. De dood is een fiasco, had De Kooning bij herhaling gezegd. Zijn lange, schemerige weg naar het einde was dat zeker.

Mark Stevens en Annalyn Swan: De Kooning. An American Master. Alfred A. Knopf, 730 blz. €33,50

Bert Schierbeek: Willem de Kooning: een portret. Menken Kasander & Wigman, 65 blz. €17,50