Een blokje om in de tropen

In Suriname, nu dertig jaar onafhankelijk, worden komende woensdag verkiezingen gehouden. Nederlanders en andere `passanten' komen er al vier eeuwen. Maar wat zagen ze daar? Een bloemlezing biedt veel indrukken, veel tropisch decor, maar weinig licht.

In 1970, vijf jaar voor Suriname onafhankelijk zou worden, interviewde tv-dominee en schrijver Sipke van der Land voor zijn boek Ratjetoe. Het bonte leven van Suriname, in Paramaribo de revolutionaire dichter Dobru (pseudoniem van Robin Ewald Raveles). Ze spraken onder meer over W.F. Hermans, die een jaar eerder zijn bundel De laatste resten tropisch Nederland had gepubliceerd, reportages over zijn bezoeken aan de Antillen en Suriname.

Dobru begint keihard te lachen als de naam Hermans valt. `Wat een negativist is dat. Je had de perscommentaren hier moeten lezen man. Ze hebben de vloer met 'm aangeveegd. Je weet dat hij gestuurd was door Sticusa (Nederlandse Stichting Culturele Samenwerking Suriname en de Nederlandse Antillen). Laat ze een jonge vent sturen zoals Harry Mulisch maar geen ouwe zoutzak. Er is hier een schrijversgroep in ontwikkeling en we hebben echt wel behoefte aan mensen van buiten, desnoods Nederlanders, maar die Hermans heeft de boel verziekt.'

Dit vermakelijke fragment, dat veel zegt over de sfeer van `nationale opbouw' in het toenmalige Suriname, is opgenomen in de bloemlezing Noordoostpassanten. 400 jaar Nederlandse verhaalkunst over Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba, samengesteld door Michiel van Kempen en Wim Rutgers. Van Kempen publiceerde vijf jaar geleden de voortreffelijke tweedelige Geschiedenis van de Surinaamse literatuur van 1596 tot 2000 en verzorgde al eerder de gezaghebbende bloemlezingen Spiegel van de Surinaamse poëzie en Mama Sranan. 200 jaar Surinaamse verhaalkunst.

Uit Van Kempens Geschiedenis van de Surinaamse literatuur komt prachtig naar voren hoe de literatuur over Suriname sinds de onafhankelijkheid is veranderd. Gevoelens van ontheemding, antikolonialisme, zelfbewustzijn en solidariteit met onderdrukte volkeren verdwenen. Een aantal prozaschrijvers zocht in navolging van Edgar Cairo (1948-2000) en Astrid Roemer zijn heil in Nederland. Anderen, zoals Bea Vianen, keerden na de onafhankelijkheid juist weer naar hun land van herkomst terug. Veel schrijvers zwegen ten tijde van het militaire regime (waarmee een aantal in het begin sympathiseerde) en zeker na de decembermoorden van 1982. Maar langzaam begon naast onderwerpen als slavernij, identiteitsproblemen, heimwee en discriminatie ook deze traumatische gebeurtenis een plaats te krijgen in de literatuur. De in 2000 overleden schrijver Hugo Pos, die sinds 1964 in Nederland woonde, wijdde een toneelstuk aan de decembermoorden, Astrid Roemer schreef een sublieme romantrilogie over de recente Surinaamse geschiedenis. Het zou interessant zijn geweest als een bundeling van stukken van relatieve buitenstaanders over Suriname óók zo'n verschuiving in thematiek had laten zien.

Helaas komt zo'n verschuiving niet naar voren uit Noordoostpassanten, een bloemlezing van teksten over Suriname geschreven door buitenstaanders: geen geboren Surinamers, maar Nederlanders die er tijdelijk verbleven. Hoe is hun visie op de (voormalige) kolonie in de loop der tijden veranderd? Wat is de betekenis geweest van de culturele banden tussen Nederland en Suriname, hoe heeft de onafhankelijkheid in 1975, de emigratie van veel Surinamers naar Nederland, de militaire coup in 1980 en de Decembermoorden van 1982 de waardering van Nederlandse auteurs voor Switi Sranan (zoet Suriname) beïnvloed?

Het overvolle boek bevat boeiende teksten van `passanten', mensen die het gebied `uit eigen waarneming hebben gekend, soms slechts op een korte reis, soms van een jarenlang verblijf en een intensieve vereenzelviging met land en volk'. De ruim honderd fragmenten zijn chronologisch en niet geografisch gerangschikt, te beginnen met een verslag aan de Staten-Generaal van Abraham Cabeliau. Deze zeekapitein leidde volgens de bloemlezers in 1598 de eerste Nederlandse expeditie naar `de wilde kust' en rapporteerde over de nog niet veroverde gebieden bij de Orinoco en de Zuid-Amerikaanse kust tot aan de rivier de Maronon (de Amazone). Vreemd genoeg dateert zijn verslag aan de Staten Generaal onder de titel `Daer is voorseecker veel gouts' van een jaar vóór zijn expeditie (1597).

Maar voor wie antwoorden zoekt op bovenstaande vragen is Noordoostpassanten nogal teleurstellend. Alleen al het feit dat zonder opgaaf van redenen een fragment ontbreekt uit Hermans' nog altijd zeer leesbare bundel reisimpressies De laatste resten tropisch Nederland, waarnaar Dobru in het interview van Sipke van der Land verwijst, maakt de bloemlezing onvolledig. Wie niet is ingevoerd in de Surinaamse literatuur heeft bovendien Van Kempens eerdere werken nodig om erachter te komen wie Dobru ook al weer was.

Misschien is een thematische rode draad er ook niet uitgekomen omdat er is gekozen voor een bloemlezing uit teksten over zowel Suriname als de Antillen, waardoor de nadruk is komen te liggen op het gedeelde koloniale- en slavernij verleden en minder op de reacties van Nederlandse passanten op de specifieke ontwikkelingen in de zo uiteenlopende (voormalige) restanten van tropisch Nederland.

De twee samenstellers leiden de bloemlezing in met deze anekdote: `In de jaren zeventig deed het verhaal de ronde van een Nederlandse leraar die naar een onderwijsfunctie in Paramaribo solliciteerde, en die in zijn sollicitatiebrief schreef dat hij dan graag in Willemstad zou gaan wonen. Hij was van plan elke dag per fiets naar zijn werk te gaan, schreef hij. Hij was er kennelijk niet van op de hoogte dat het eiland Curaçao meer dan vijfhonderd kilometer van zijn geambieerde Surinaamse werkkring gelegen was.'

Dit verhaaltje moet dienen als aanloop voor een wat magere verdediging van Van Kempen en de geschiedschrijver van de Antilliaanse literatuur Rutgers dat ook zij moeiteloos heen en weer fietsen tussen Paramaribo en Willemstad. Onder erkenning van de verschillen tussen Suriname en de Antillen – `die in Nederland al te vaak over het hoofd worden en werden gezien' – concluderen de inleiders dat zij toch minstens één punt van overeenkomst hebben: `hun geschiedenis als Nederlands-West-Indische koloniën'.

Veel teksten handelen dan uiteraard over de slavernij, zoals het opmerkelijke verhaal van Lodewijk uit Middelburg, `Eene heerlycke en stoute redenvoering van een zwarte', uit 1760. Het gaat over een slavenopstand in Suriname tegen de wreedheid van een zwarte plantageopzichter. Een zwarte leider houdt de opstandelingen voor dat een verdubbelde opbrengst van de plantage mogelijk is en dat de slavinnen vruchtbaarder zullen worden. De samenstellers noemen deze tekst `een karakteristiek geval van hoe aan negers stem wordt gegeven om het koloniale standpunt uit te dragen'.

Totdat Nederland in 1863 als laatste Europees land de slavernij afschafte zijn veel van de gekozen fragmenten aan dit onderwerp gewijd. Zo is er een stuk opgenomen uit de driedelige briefroman Reinhart, of Natuur en godsdienst van Elisabeth Maria Post uit 1791-1792, waarin ze de ervaringen van haar broer verwerkte. Deze planter probeerde zijn slaven als `medemens' te behandelen. En natuurlijk ontbreekt ook een indrukwekkende passage uit het invloedrijke boek van W.R Hoëvell, Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet (1854), niet. Wolter Roberto baron van Hoëvell stond bekend als strijder tegen de misstanden in Indië. Voor zijn tweedelige boek over de deplorabele staat waarin de 40.000 Surinaamse slaven in de eerste helft van de negentiende eeuw verkeerden, putte hij uit berichten die hem door allerlei bronnen werden aangereikt, maar die hij niet kon noemen wegens `talloze onaangenaamheden' waaraan zij zouden worden blootgesteld door `tegenstanders van de slavenemancipatie.' Slaven en vrijen onder de Nederlandse wet, een mengeling van essay, reisverslag, fictie en pamflet, is de uitvoerigste beschrijving van de slavernij in Suriname van die periode. Het fragment dat in de bloemlezing is opgenomen onder de titel `Huisselijke tucht' is in zijn gruwelijkheid adembenemend.

De historische teksten zijn hoe dan ook de interessantste in deze bloemlezing. Bij mij sloeg de teleurstelling toe bij de periode na 1970: geen enkele nieuwe vondst, alleen maar fragmenten uit overbekende boeken die – zeker over Suriname – eerder getuigen van onverschilligheid dan van betrokkenheid. De onafhankelijkheid van Suriname heeft kennelijk onder Nederlandse schrijvers en publicisten weinig losgemaakt. Alleen een fragment uit Ischa Meijers Een rabbijn in de tropen (1977) refereert eraan. Het is een krankzinnig verhaal dat zich afspeelt in Pomeroon (Paramaribo) tegen de achtergrond van de onafhankelijkheidsfeesten, maar dat in de bloemlezing zo uit zijn verband wordt gerukt dat de Surinaamse context achter de horizon verdwijnt.

De coup van Bouterse in 1980, de militaire heerschappij, de decembermoorden en de massamoord op bosnegers in Oost-Suriname in 1986 is in deze bloemlezing de meeste passanten ook niet opgevallen. Alleen van de journalist Gerard van Westerloo is uit diens De laatste dagen van een kolonel (1993) een reportage opgenomen die zo begint: `Zaterdagavond 17 oktober 1992. Na twaalf jaar ben ik terug in het land waar ze Jozef Slagveer vermoord hebben. En nog een paar honderd anderen – soms gewoon door ze op een rij te zetten en om te knallen. Suriname. Toen er nog niet geschoten werd, eindigden vele gedichten op dat woord, vol lading uit te spreken. ,,Een vuilnisvat. Ik hou van jou Suriname!''(de dichter Dobru).'

Na de coup van 1980 werd Dobru, die in het gesprek met Sipke van der Land nog fel ageerde tegen de corruptie en vriendjespolitiek in zijn land, onderminister van Cultuur en later lid van de `raad van toezicht' die de pers controleerde. Bij zijn dood in 1983 – dus na de decembermoorden – kreeg hij van het militaire bewind een staatsbegrafenis. Ook de journalist en dichter Jozef Slagveer, over wie Van Westerloo schrijft, was aanvankelijk op de hand van de militairen. Gaandeweg ontwikkelde hij steeds meer kritiek op de nieuwe machthebbers met als gevolg dat ze hem in de nacht van 8 op 9 december 1982 samen met veertien anderen in Fort Zeelandia vermoordden.

Talloze Nederlandse journalisten hebben daarover bericht, en ook Nederlandse fictieschrijvers van Surinaamse origine zijn er inmiddels op gedoken. Helaas figureren deze auteurs niet in deze bloemlezing omdat zij niet passen in de definitie van `passanten'. In bredere zin is dat natuurlijk onzin, want heel veel Surinamers zijn passanten: hun ouders of grootouders zijn vaak elders geboren, zelf wonen ze veelal voor korte of langere tijd, en vaak definitief, in Nederland. Dat geldt zowel voor Astrid Roemer als voor die andere succesvolle schrijver over Suriname, Clark Accord.

Het geldt ook voor een auteur als Albert Helman, van wie als geboren Surinamer ook geen werk is opgenomen. Iemand als Dobru beschouwt hem in het interview met Van der Land zelfs uitdrukkelijk als een passant: `Albert Helman? Die schrijft als een toerist over Suriname. Hij gebruikt het land alleen maar als decor voor z'n verhalen, maar de mensen hier herkennen zichzelf er niet in.'

Met die nationalistische kritiek op Helman kun je het eens zijn of niet (ik ben het er niet mee eens), maar met deze uitspraak legt hij wel de vinger op het merkwaardige selectiecriterium dat de bloemlezers hebben gekozen. Schrijvers die Suriname vooral gebruiken als decor of zelfs behang om hun verhalen te stofferen (en dat zijn er in deze bloemlezing nogal wat) dragen niet bij tot een werkelijk begrip van wat zich in Suriname heeft afgespeeld. Daarvoor blijven we aangewezen op auteurs met een diepgaande betrokkenheid bij de geschiedenis van dat land en zijn bewoners.

Of zulke auteurs, zoals Dobru meende, noodzakelijk in Suriname moeten wonen is overigens ook nog maar de vraag. Hermans merkte in Laatste resten tropisch Nederland al op dat schrijvers het daar hoe dan ook moeilijk hebben. Tegenover hem gaven ze toe dat een intellectueel in Suriname weinig toekomst heeft. `Huidskleur, corruptie, politieke gezindheid of gebrek aan protectie kan hem in moeilijkheden brengen en wat is zijn lot dan?'

Dat is ook meteen mijn probleem met de vijfde, onlangs verschenen en op de titelpagina als `historisch' gekenschetste roman van Cynthia Mc Leod, die sinds haar in Suriname verslonden debuut Hoe duur was de suiker wel de Geert Mak van Suriname wordt genoemd. Want hoe onafhankelijk is Mc Leod? Die revolutie niet begrepen... luidt de titel van haar boek, een mengsel van reportage en fictie over de periode 1979-1987. Op de cover staat een foto van een lerares die vier data op een schoolbord schrijft: `25 febr.' (de dag van de militaire coup in 1980); `13 aug.' (het buitenwerking stellen van de grondwet en het aftreden van president Ferrier in hetzelfde jaar); `8 dec.' (de moord in 1982 op 15 vermeende tegenstanders van het regime); `29 nov.' (de massaslachting onder bosnegers in Moiwana, Moengo Tapu en Wanhati tijdens de oorlog tegen het Junglecommando van Ronnie Brunswijk). Al deze dieptepunten in de recente Surinaamse geschiedenis worden plichtsgetrouw en op verontwaardigde toon door de bijna zeventig jarige schrijfster geboekstaafd.

Mc Leod, de dochter van de eerste Surinaamse president Johan Ferrier die in 1980 aftrad toen de militairen de grondwet buiten werking stelden, laat de gebeurtenissen zien door de ogen van de gescheiden lerares Rita, die alle ellende die het land is overkomen enkel en alleen wijt aan het feit dat het onafhankelijke Suriname een leger had gekregen. Het bedriegelijke aan de roman (zeker voor Nederlandse lezers die Mc Leod niet kennen) is dat de jaren tachtig in Suriname worden beschreven door de ogen van een betrekkelijk naïeve lerares die zich voornamelijk zorgen maakt om haar dienstplichtige zoon en latere beroepsmilitair, terwijl Mc Leod als presidentsdochter en diplomatenvrouw (ze was in de jaren tachtig ambassadeursvrouw in België en de VS) ongetwijfeld veel meer weet dan ze nu laat blijken.

In de roman legt zij alle fouten die er zijn gemaakt bij de militairen en hun sympathisanten, en zoekt die niet zoals Astrid Roemer zo weergaloos knap doet in haar romancyclus, in de hele Surinaamse samenleving (en geschiedenis). De sombere strekking van Roemers boeken (Gewaagd leven, Lijken op liefde en Was getekend) is dat een land met zo'n wrede, verbrokkelde historie geen, of op zijn minst een uiterst twijfelachtige, toekomst heeft. Vrolijke lectuur is het niet, wel getuigen de boeken van een diepe betrokkenheid bij de tragiek van Suriname en van alle mensen die zich met dat land verbonden weten.

Mc Leod haalt dat niveau bij lange na niet. Maar haar boek heeft al wel ophef veroorzaakt. Presidentskandidaat Bouterse heeft bezwaar aangetekend tegen de publicatie ervan, omdat die de uitslag van de verkiezingen voor hem negatief zou kunnen beïnvloeden. Mocht dat het effect zijn, dan is dat mooi meegenomen, maar het maakt Die revolutie niet begrepen... nog niet tot een geslaagde roman die ons doet begrijpen wat er toch geworden is van Switi Sranan.

Voor dat begrip kunnen we beter terecht bij Astrid Roemer, voor wie de jaren tachtig geen geschiedenis zijn zolang Bouterse nog niet is berecht. `Hebben de decembermoorden mekunu (bloedschuld) over Suriname gebracht', vraagt een tienermoeder aan haar wijze pleegvader in Was getekend. Zijn antwoord: `Dat weten we pas als de bevelhebber alles uit de doeken doet. Alles.'

Noordoostpassanten. 400 jaar Nederlandse verhaalkunst over Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba. Samengesteld, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Michiel van Kempen en Wim Rutgers. Contact, 711 blz. €37,50

Cynthia Mc Leod: Die revolutie niet begrepen... Conserve, 286 blz. €18.00