Deze Grondwet moeten we hebben

Jan Werts stelt op de Opiniepagina van gisteren dat aanvaarding van de EU-Grondwet niet in het belang van Nederland is, omdat ,,vier centrale prioriteiten'' van de regering niet zijn gerealiseerd. Hij adviseert een stem tegen, zodat opnieuw kan worden onderhandeld. Werts geeft een onjuist beeld van de werkelijkheid (denk aan de 300 amendementen waarvan niks terecht zou zijn gekomen) en hij maakt bovendien twee kapitale denkfouten.

De eerste is om er voetstoots van uit te gaan dat alle prioriteiten die de Nederlandse regering voor de Conventie heeft geformuleerd, ook daadwerkelijk (grote) belangen van ons land weerspiegelen. De tweede denkfout is te menen dat er ruimte zou zijn voor heronderhandelen en dat deze bovendien tot een voor ons land beter resultaat zouden kunnen leiden.

Met Werts wil ik het Nederlandse belang in Europa vooropstellen. Maar wat heeft het al dan niet vermelden van het christendom als grondslag van onze beschaving daarmee van doen? Mensen kunnen dit punt duidelijk verschillend waarderen, maar trek het als geschilpunt niet in de sfeer van nationale belangen!

Een volgende prioriteit was meer discipline in de coördinatie van het economisch beleid, om de waardevastheid van de euro te kunnen waarborgen. De Grondwet houdt een duidelijke versterking van de positie van de Commissie in. Om te beginnen is nieuw dat de Commissie een waarschuwing kan richten tot de lidstaat die de goede werking van de Economische en Monetaire Unie in gevaar brengt. Daarnaast krijgt de Commissie meer te zeggen in de procedure om buitensporige tekorten tegen te gaan. Nederland was terecht graag nog een stap verder gegaan, maar dit doet niets af aan het feit dat de Grondwet hier zonder meer verbeteringen biedt in vergelijking met het Verdrag van Nice.

De derde prioriteit betreft ,,onze vaste commissaris''. Bij dat `onze' moet direct worden aangetekend dat de nationale kandidaat lid van een onafhankelijk college wordt en geacht wordt het algemene belang van de Unie te dienen. Ik ben blij dat – tegen de oorspronkelijke wil van de meerderheid van de Kamer in – gekozen is voor een kleinere en daardoor effectievere Commissie. De combinatie met een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid komt optimaal aan de Nederlandse belangen tegemoet. Daardoor zal elke lidstaat, groot of klein, even vaak een Commissaris mogen leveren.

De vierde prioriteit betrof het tegenhouden van een vaste president van de Europese Raad. Dat is in zoverre gelukt dat de omschrijving van taken en bevoegdheden van deze voorzitter duidelijk niet is toegesneden op een `Zonnekoning' in spe. Hij of zij zal vooral een coördinerende en stimulerende taak hebben. Een vast voorzitterschap voor tweeënhalf of vijf jaar zal de continuïteit ten goede komen. Dat is ook in het belang van Nederland.

Kortom: voorzover Werts gelijk heeft met zijn stelling dat ,,vier centrale Nederlandse prioriteiten uit het zicht zijn verdwenen'', mogen wij daar met het oog op het Nederlandse belang in Europa blij om zijn. Bovendien heeft het kabinet door het tussentijds bijstellen van prioriteiten getoond te kunnen leren.

Dan kom ik bij de tweede denkfout van Werts. Waarop baseert hij zijn verwachting dat na een Nederlands `nee' nieuwe onderhandelingen volgen waarin ons land meer moet kunnen bereiken? De lidstaten die wel ratificeren zullen ons dan wel duidelijk maken dat wie een spaak in het gemeenschappelijke wiel steekt, ook maar zelf moet repareren. Voorzover er dan sprake kan zijn van onderhandelen, sta je in je eentje tegenover de rest, en dat win je nooit.

De Grondwet is niet perfect, maar hij is eenduidig beter dan het bestaande Verdrag van Nice. Het is een prestatie van formaat dat we met 25 lidstaten tot dit resultaat zijn gekomen. Verdere verbeteringen zitten er voorlopig niet in. Dat alles maakt de belangenafweging op 1 juni heel gemakkelijk.

Marko Bos is plaatsvervangend directeur Economische Zaken van de SER en lid van het hoofdbestuur van de Europese Beweging Nederland (EBN).