De kinderen, Jan, de kinderen!

Iedere treinreiziger weet het. Jan Cremer, die eind jaren vijftig als zelfbenoemde `kunstnozem' de artistieke arena binnendenderde, heeft het uiteindelijk gebracht tot gerespecteerd kunstenaar: zijn woeste tulpen sieren al vele jaren de coupés. Ook is hij méér dan de succes- en sensatieauteur van Ik Jan Cremer (1964), de `onverbiddelijke bestseller' vol seks, bravoure en geweld. Halverwege de jaren tachtig publiceerde hij de omvangrijke trilogie De Hunnen, waarin tot in alle pijnlijke details een hellegang door bezet en bevrijd Oost-Nederland beschreven wordt. Cremer bewees ermee `dat hij een schrijver is die veel te zeggen heeft', oordeelde Hans Vervoort in deze krant.

Maar blijkt het enfant terrible van weleer inmiddels vijfenzestig jaar en verheven tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw anno 2005 ook een begenadigd briefschrijver? Is de nieuwe Multatuli, Reve of Brouwers opgestaan?

Stijl is nooit Cremers fort geweest, hij heeft het altijd moeten hebben van de epiek van zijn verhalen. In De Hunnen was dat de overlevingstocht van een halfwees langs kindertehuizen, opvoedingsgestichten en pleeggezinnen; in Ik Jan Cremer waren het de vrolijke avonturen van een lefgozer te land, ter zee en in bed. In Brieven 1956-1996 staat het leven van Jan Cremer opnieuw centraal. Niet, zoals in De Hunnen, ingebed in de mythische geschiedenis van een oosters ruitervolk. En ook niet, zoals in Ik Jan Cremer, met een vette knipoog naar de lezer. Hier krijgen we voor het eerst de echte Jan Cremer te zien, de keizer zonder kleren. En dat is geen lolletje, duizend pagina's lang. Wie op zoek is naar esthetisch genot kan de 873 epistels aan vrienden, vrouwen en vijanden beter aan zich voorbij laten gaan.

Vooral het gezeul en gesol met Cremers eerste drie kinderen, Claudia, Clinton en Clifford, die na een heftige scheiding heen en weer geslingerd worden tussen moeder, grootmoeder en pleegouders, is weinig verheffend. `Ik hou erg van mijn kinderen', schrijft vader Jan vanuit Amerika, waar hij het vervolg op zijn succesboek er in drie weken uitperst, aan zijn moeder en halfzus. `Maar ik laat me niet door een of andere klootzakkerige kinderrechter van m'n werk afhouden. Die kinderen komen toch wel naar je toe als ze wat ouder zijn.'

Cremers brieven laten zich, net als die van Jeroen Brouwers, lezen als een `kroniek van een karakter'. Anders dan bij zijn illustere jaargenoot blijkt dit karakter echter weinig geneigd tot verheven zelfbeklag of relativerend zelfinzicht. Verder dan platitudes dat hij een `moeilijk mens' is die zijn `gevoelens' niet makkelijk kan uiten, komt hij niet. En al bestrijken deze brieven veertig jaar, van ontwikkeling is nauwelijks sprake. De kompasnaald wijst al vroeg richting gouden horizon. `Ik wil beroemd en bekend worden en dat word ik ook, daar ben ik zeker van', schrijft hij op zijn vijftiende aan jeugdvriendin Winnie. En inderdaad: anno 2000 beleeft Ik Jan Cremer zijn vijftigste druk en is het boek wereldwijd in gigantische oplages verkocht. Anno 2005 trekt de gemeenteraad van zijn geboorteplaats Enschede een half miljoen euro uit voor een `Jan Cremer Museum'.

Naast zelfvertrouwen is wantrouwen een minstens zo sterke drijfveer in Cremers mars naar de top. `Het leven is een eenmansguerrilla' luidt de laatste zin van De Hunnen. `Ik teer op rancune', orgelt de protagonist van Ik Jan Cremer, Tweede Boek (1966) aan het slot. De hate mail waarmee deze strijd van één tegen allen gepaard gaat, vult in Brieven 1956-1996 talloze pagina's. Wie het waagt de echte Jan Cremer een strobreed in de weg te leggen, zal eeuwig branden in de hel. Opzij, opzij, opzij! Hans Sleutelaar, Cremers trouwste paladijn (en medebezorger van Brieven 1956-1996), wordt uitgemaakt voor jakhals. Martin Bril, die het kolossale Hunnen indikt tot zijn autobiografische kern (Wolf, 1993), heet opeens een `bijgoochempie'. Bezige Bij-redacteur Oscar Timmers heeft last van `kutnijd'. Welkom in het `Cremertorium'!

Ook Geert Lubberhuizen, legendarisch uitgever van De Bezige Bij, die Cremer zo nu en dan aanspreekt met `vader', moet het ontgelden. Dat Lubberhuizen zijn auteur in alle gevechten met advocaten, schuldeisers en kinderbeschermers terzijde heeft gestaan, telt niet meer. Lubberhuizen heeft zich namelijk laten ontvallen dat hij zijn goudhaantje heeft aangeraden met zijn volgende boek naar een andere uitgever te verhuizen. Dat píkt Ik Jan Cremer niet; hij laat zich `NIKS' adviseren, door niemand. Tabé Bezige Bij! Zijn derde boek, Made in U$A, in een week in elkaar getimmerd, verschijnt in 1969 bij Bruna.

Cremers filippica's tegen zijn moedige, bemoedigende uitgever (die ondertussen goed op de kassa lette) schrijnen te meer omdat ook een aantal brieven van Lubberhuizen is opgenomen: `De kinderen, Jan, de kinderen!' Sommige waren al gepubliceerd in Ik heb er slechts één nul afgedaan. Brieven van en aan Geert Lubberhuizen (besproken in Boeken 04.02.05). Maar niet die ene waaruit blijkt wat Cremer vooral aanzette om zijn `vader' de rug toe te keren: de tienduizend dollar voorschot die Bruna hem bood. Anderhalf jaar later is die vette kluif opgesoupeerd; beleefd klopt Cremer bij Lubberhuizen aan voor een `lening of voorschot' van vijftigduizend gulden voor de aankoop van de hoeve van Hugo Claus, waarop hij zijn oog heeft laten vallen.

Ook van Cremers moeder, de in Hongarije geboren RÓzsa Csordás Szomorkay-Wendl, zijn in Brieven 1956-1996 enkele tegenbrieven opgenomen. En ook die voorzien Cremers voortpaukende triomfmars van de nodige contrapunten. Pais en vree was het in huize Cremer-Csordás lang niet altijd, blijkt uit de brief die de bijna zestienjarige Jan aan zijn moeder schrijft. Omdat ze hem `te lijf gaat met allerlei dingen, zoals kruiken e.d.' heeft hij besloten de wijde wereld in te trekken. Met lichte trots, maar moederlijk bezorgd, volgt RÓzsa nauwlettend Jans avonturen in grotemensenland; groots ontfermt ze zich over zijn kinderen. `Kan je niet wat normale werk aannemen in plaats van achter allerlei sterren aanlopen?' informeert ze medio 1967 bits naar aanleiding van zijn kortstondige affaire met seksbom Jayne Mansfield.

Haar zoon luistert niet, ook naar haar niet. Het zal nog tien jaar duren voor Jan Cremer rust vindt bij de vrouw van zijn leven. Van dat `normale werk' zal het echter nooit komen. Vrolijk schrijft en schildert hij verder, met of zonder voorschot. We hebben er veel moois aan te danken. Maar óók een brievenboek dat Jan Cremer beter door zijn bijgoochempie Martin Bril tot een triosonate voor `vader', moeder en zoon had kunnen laten inkorten.

Jan Cremer: Brieven 1956-1996. De Bezige Bij, 992 blz. €49,90