De islam is een gevaarlijke vrouw

Couperus herhaalt alle negentiende-eeuwse gemeenplaatsen over de Oriënt. De Leesclub discussieert deze week over de betekenis van seksualiteit in `De stille kracht'.

Is De stille kracht een visionaire beschrijving van het onafwendbare einde van de koloniale overheersing, of zelfs van de botsing van beschavingen die nu, een eeuw later, de gemoederen zo bezighoudt? Lezers die Couperus prijzen om zijn actualiteit of profetische kracht, miskennen hoe tijdgebonden dit boek is. Voorzover het iets zegt over koloniale overheersing, doet het dat in de door en door negentiende-eeuwse termen van ras, religie en spiritualiteit. Sterker: Couperus' kolonialisme heeft niets te maken met economische uitbuiting of politieke onderdrukking, en zelfs weinig met culturele confrontatie. Het heeft vooral te maken met seks.

Er wordt heel wat afgesmacht in deze roman – en bij smachten blijft het niet. Bijvoorbeeld in de verleidingsscène tussen residentsvrouw Léonie van Oudijck en de jonge Addy: `Toen lachte zij hem tegemoet, en hij, verleider, was verbaasd over de gloed van de lach van die blanke en blonde verleideres, die haren zijden kimono afwierp en als een beeld voor hem stond, naakt, hare armen breidende open' (p. 90).

Couperus schildert de Nederlandse koloniale overheersing als een betrekking tussen het nuchtere, burgerlijke en mannelijke Westen en het spirituele, sensuele, passieve, kortom vrouwelijke Oosten. Alle negentiende-eeuwse gemeenplaatsen over de Oriënt worden hier herhaald: haar tijdloosheid of stagnatie, haar lijdzaamheid, haar seksuele beschikbaarheid, en niet in de laatste plaats haar onveranderlijke maar onuitgesproken haat tegen het Westen. Maar De stille kracht presenteert minder een botsing van beschavingen dan een ontmaskering van het westerse, humanistische beschavingsideaal. De overheerste doorgrondt in één blik de overheerser `in die illuzie van beschaving en humaniteit, en hij weet, dat ze niet zijn' (p. 111).

Daarmee reageert het boek rechtstreeks op laat-negentiende-eeuws koloniaal beleid. De Nederlandse resident, Van Oudijck, is niet alleen een verlichtingsfundamentalist avant la lettre; zijn beschavingsmissie weerspiegelt ook Nederlands `ethische politiek' in de Oost. Hij weigert te geloven in wat hij niet kan zien, hij gaat uit van onwrikbare logische en a priori principes, en hij is een even strenge vader voor de Javaan als voor zijn eigen kinderen. Zijn doel is niet uitbuiting, maar juist de economische en morele vooruitgang van de lokale bevolking, waarvoor hij een afstandelijke, paternalistische liefde koestert, `hatende alles wat half-bloed was' (p. 104). Maar al deze strenge ethische principes blijken illusies. Niet alleen weigert hij lange tijd te zien dat zijn eigen echtgenote Léonie hem met de ene man na de andere bedriegt; ook zelf heeft hij een buitenechtelijke zoon in de kampong rondlopen. Zijn zoon Theo, een halfbloed vol oedipale haat tegen zijn vader en verwikkeld in een affaire met zijn stiefmoeder Léonie, is dolblij om dat te ontdekken: `het deed hem goed te ontmoeten een verstoteling, die hem in één ogenblik die hoog tronende vaderfiguur vuil gooide met slijk en smerigheid, hem neertrok van zijn voetstuk, hem laag deed zijn als ieder ander, zondig, slecht, harteloos, onedel' (p. 101). Uiteindelijk trouwt zelfs zijn dochter Doddy met een halfbloed, de vrouwenheld Addy de Luce.

Couperus' kritiek op het kolonialisme loopt niet vooruit op hedendaagse antikoloniale of feministische opvattingen. Van Oudijcks ethische gezag wordt deels door zijn en andermans seksuele levenswandel ondermijnd, maar deels ook door oosterse, vrouwelijke spirituele krachten. Deze nadruk op occulte machten weerspiegelt de theosofische ideeën van, niet toevallig, vrijgevochten negentiende-eeuwse vrouwen als Annie Besant en madame Blavatsky. De theosofie, met haar verheerlijking van oosterse wijsheid, is ten dele een kritiek op het idee dat koloniale overheersers over een superieure beschaving zouden beschikken. Tegelijkertijd belooft haar leer van een universele spiritualiteit een uiteindelijke verbroedering van alle mensen. Couperus is zichtbaar overtuigd van de macht van het spirituele, of die nu verschijnt in de stille kracht of in dansende tafels. Maar het theosofische geloof in een universele verbroedering deelt hij niet. Integendeel, het oosterse mysterie-leven blijft `verborgen voor de westerse blik, hoe die ook het geheim te doorgronden zoekt', en dit betekent `dat een verbroedering tussen meester en dienaar nooit zijn zal, omdat onoverkomelijk het verschil blijft, dat voortwoekert in ziel en bloed' (p. 111).

Dat de termen van ziel, bloed en mysterieuze krachten vandaag op velen occult en gedateerd overkomen is niet van groot belang. Belangrijker is dat De stille kracht toont dat de moeizame Nederlandse verhouding tot de islam niet van vandaag of gisteren is. Couperus' islam echter, anders dan de politieke islam van vandaag, is mystiek, apolitiek, mysterieus, lijdzaam en afwachtend – kortom, `vrouwelijk' in alle negentiende-eeuwse betekenissen van dat woord. Evenals zijn tijdgenoot, de beroemde Leidse islamoloog Snouck Hurgronje, zag Couperus de mystiek als de kern van de islam; maar wat Couperus niet voorzag, en wat Snouck Hurgronje per se wilde voorkomen, was dat zich al spoedig moderne, activistische en nationalistische vormen van antikoloniale islam zouden ontwikkelen, zoals onder meer belichaamd in Soekarno's pencasila, de ideologie van onafhankelijk Indonesië. Maar van blijvende waarde is dat De stille kracht toont hoe de confrontatie met de islam, toen en nu, veel meer met seks te maken heeft dan we denken.

Volgende week in de Leesclub: Bas Heijne over mystiek in `De stille kracht'.