De elite staat rechtop

Het Groot Schilderboek van de schilder en kunsttheoreticus Gerard de Lairesse uit 1707 bevat honderden prenten met voorbeelden voor aankomende schilders. Er staat in hoe je schaduwen moet laten vallen, hoe je landschappen, straten en kamers moet componeren, waar mensen, dieren, bomen en andere elementen in de ruimte geplaatst dienen te worden. Een van de vele voorbeeldprenten laat zien hoe bepaalde mensentypen zich gedragen, dat wil zeggen hoe ze staan en zitten, hoe ze een wijnglas vasthouden en hoe ze hun soep lepelen. Duidelijk is hier dat er een levensgroot onderscheid bestond tussen welgemanierde en ongemanierde mensen. En wie met Lairesses prenten in het hoofd naar zeventiende- en achttiende-eeuwse stads- of dorpsgezichten kijkt, ziet hoe groot het verschil is in de lichaamshouding van een edelman, een burgerregent en een visser of een boer. De laatsten zijn plomp, gezet en staan wijdbeens, het hoofd wat gebogen. De elite daarentegen staat rechtop, kijkt flink en fier de wereld in. Nog een stap verder en men vraagt zich af of dat in de werkelijkheid ook zo was. Het antwoord daarop is dat het in ieder geval het ideaal was voor de elite. De Amsterdamse historicus Herman Roodenburg probeert in zijn boek The Eloquence of the Body te reconstrueren hoe die ideale lichaamshoudingen en bewegingen eruitzagen en hoe men die zich aanleerde.

De Nederlandse elite moest leren hoe op een elegante wijze te zitten, te staan en te lopen. Vandaaruit moest men zich ook andere manieren van bewegen eigen maken: dansen, schermen, paardrijden. Dat alles moest met grote vanzelfsprekendheid worden beheerst. Het vermogen daartoe was weliswaar `aangeboren' zo dacht men, maar werd toch in de vroege jeugd aangeleerd. De voorbeelden werden ontleend aan Italiaanse en Franse leerboeken, waarvan het oudste en meteen ook meest invloedrijke Il libro del cortegiano van Baldesar Castiglione (1528) was. Twee jaar later verscheen De Civilitate morum puerilium van Erasmus.

Roodenburg concentreert zich op enkele casestudy's, met name op de opvoeding van de kinderen Huygens. Over hun dagelijks leven zijn veel brieven, dagboeken en memoires bewaard gebleven. De twee leerboeken waren ook in hun bibliotheken aanwezig. In Castigliones boek, opgezet als een reeks gesprekken, komt naar voren dat die natuurlijke gratie of bevalligheid een aangeboren gave is. Beschaving werd bijgebracht en rechtop lopen was een eerste vereiste, dat kreeg men er van jongs af aan ingestampt, desnoods met corsetten en zelfs, zoals in het geval van Constantijn Huygens (die als kind kampte met een scheve nek) met een chirurische ingreep. Dit boek toont mede dankzij de vele illustraties hoe belangrijk de houding was voor het aangeven van de stand waartoe men behoorde en hoe zich dat ontwikkelde tot een natuurlijk gedrag, althans aan de top van de maatschappij en dan nog in het exceptioneel geciviliseerde milieu waartoe de familie Huygens behoorde.

De keerzijde van de aanleerbaarheid van gedrag is dat personen met een beetje acteertalent zich met gemak konden voordoen als voornaam burger of edelman. Dat juist in de zeventiende en achttiende eeuw zoveel romans over bedriegers verschenen, zal geen toeval zijn. Daar moet ook eens een boek over komen.

Herman Roodenburg: The Eloquence of the Body. Perspectives on gesture in the Dutch Republic. Waanders, 208 blz. €45,–