Beschenen door een zwarte zon

Christus verklaarde dat zijn koninkrijk niet van deze wereld is en verliet prompt zelf het gebouw. Een dramatische exit was het en briljant geregisseerd. Maar wat moeten wij nu?

Een oplossing voor alle wereldproblemen? Maar natuurlijk, een ogenblikje, alstublieft. Zo, daar heb ik het al: doe haar weg. Jazeker, u heeft mij goed begrepen: doe haar weg, die wereld. U heeft nu wel lang genoeg met dat lijk rondgezeuld – vanaf het moment eigenlijk al dat Christus verklaarde dat zijn koninkrijk niet van deze wereld is en prompt zelf het gebouw verliet. Een dramatische exit was het en briljant geregisseerd, maar wij zaten ondertussen met de schillen en de dozen: een wereld waar geen greintje leven meer in zat. En wie het tegendeel beweerde wie de moed had om zich de wereld te herinneren als een erg mooi, fantasievol, door diverse goden bewoond, in ieder geval bezield geheel was een duivel of een ketter en verdween ondergronds. Er restte ons alleen nog de autopsie, filosofisch en anderszins, en die moet na tweeduizend jaar toch wel zo'n beetje voltooid zijn, dacht ik. Dus vooruit, weg ermee. Want ook al is ze redelijk gemummificeerd door al die lagen afval waaronder ze bedekt ligt, de stank is na al die tijd niet meer te harden.

U protesteert, komt in het geweer? Uw hart bloedt van de weeromstuit over en u wilt nog één keer proberen de wereld te reanimeren? Wilt u dan wel eerst even het volgende prioriteitenlijstje doornemen en voor akkoord verklaren? Daar gaat-ie: ziel komt voor geest, beeld komt voor concept, elk afzonderlijk komt voor allen, het ding voor zijn betekenis, opmerkzaamheid voor kennis, poëzie voor waarheid, dierlijk voor menselijk, smaak voor oordeel, anima voor ego, en wat en wie komen in de plaats van waarom en hoe. Tevens verklaart u zich te zullen onthouden van denkspelletjes als: subject-object, links-rechts, binnen-buiten, mannelijk-vrouwelijk, immanent-transcendent, lichaam-geest, zijn-niet-zijn, kortom: dat hele tegenstellingenspel gaat de deur uit. Wanneer vervolgens alle daarop gebaseerde denkpatronen hopeloos zullen zijn vastgelopen, kunnen de opgepotte emoties uit hun verpakking barsten en lachend terugvloeien naar de wereld zelf die daarmee haar ziel terugkrijgt. Een kwestie van respect, ik herhaal re-spect, letterlijk: nog een keertje goed kijken, nu met het oog van het hart. Volgende patiënt, graag.

Wel? Wie?

O ja, dat was ik zelf.

Vannacht had ik ze bijna betrapt, de ellendelingen.

Omdat ik de slaap niet kon vatten was ik de trap afgelopen naar de voorkamer. Ik had mijn hand al uitgestrekt naar de lichtschakelaar toen ik getroffen werd door een vreemde ondiepte in de stilte daar, alsof die nog net het laatste restje nagalm bevatte van een gesprek dat door mijn onverwachte binnenkomst verstoord en gestokt was. Mijn longen konden de minieme wanverhouding tussen de hoeveelheid stikstof en zuurstof in de atmosfeer, ontstaan door het plotseling inhouden van adem, bijna tot drie cijfers achter de komma nauwkeurig berekenen.

Het was hetzelfde gevoel als die keer dat er een insluiper in huis was geweest die zich na een eindeloos durende minuut uit de schaduwen in de kamer had losgemaakt en met een roffel van zijn gympen vlak langs mij heen het trapgat naar de buitendeur was ingedoken.

Ik knipte het licht aan en het was alsof alle meubels – de tafel en de stoelen en de boekenkast, de lampen en de televisie – net een kwartseconde eerder, precies in de `klik' van de schakelaar, weer op hun plaats waren gaan staan. Sterker nog: alsof het vreemde wezens waren, van huis uit onzichtbaar, die zich nu razendsnel als stoel, boekenkast of lamp hadden vermomd en daarbij, in de hoop overtuigender over te komen, zachtjes maar nadrukkelijk `stoel' fluisterden, `lamp', `kast', `bank'.

Ik deed het licht uit en ging zitten, maar schoot al na een minuut overeind om het weer aan te doen. Zo niet, wist ik opeens zeker, dan zouden ze stuk voor stuk exploderen – zo onverdraaglijk snel was de druk der dingen in het donker opgelopen.

Een soortgelijk spookachtig samengaan van een verhoogde waakzaamheid en een maximaal opgevoerde aanwezigheid der dingen en maximaal wil zeggen: nog één streepje verder en de hele mikmak tuimelt over de rand van het zijn het niets in wordt bijna tastbaar aan het slot van de briljante, genre-doorbrekende film Donnie Darko van Richard Kelly.

Het titelpersonage is een licht schizoïde puber die aan de dood is ontsnapt doordat hij aan het slaapwandelen was op het moment dat een uit de lucht gevallen vliegtuigmotor zich een weg door zijn slaapkamer baande. Bij die gelegenheid heeft hij op straat van een menshoog, zich Frank noemend konijn te horen gekregen dat over precies achtentwintig de dagen de wereld zal vergaan en dat is nu op de kop af vier weken terug. In de tussentijd heeft zijn psychiater de dosis van zijn medicijnen laten verhogen, is zijn favoriete lerares ontslagen omdat zij het verhaal `The Destructors' van Graham Greene als huiswerk had opgegeven, heeft hij iets moois gekregen met het nieuwe meisje in zijn klas, met zijn vrienden gediscussieerd over het seksleven van smurfen en zich verdiept in de ins en outs van het tijdreizen. Hij heeft de gelatine-achtige slurf van het noodlot leren zien waarin ieder mens zich voortbeweegt, een brief bezorgd bij Grandma Death en brand gesticht in het huis van een in kinderporno handelende zelfhulp-goeroe die slechts twee menselijke motieven erkent: angst en liefde.

In de laatste minuten voor het aangekondigde uur U gaat de camera nog even langs bij alle personages die in het verhaal een rol hebben gespeeld, tot aan de jongen die achter het konijnenmasker schuil bleek te gaan aan toe. Ze zitten allemaal, alert als dieren die in de verte een grote bosbrand gewaarworden, en als beschenen door een zwarte zon 's nachts in hun kamers, stil om zich heen te kijken naar de wereld die stil terugkijkt. En het lied van die stilte is Gary Jules' versie van `Mad World', een nummer van de in de jaren tachtig waarin de film zich afspeelt populaire groep Tears For Fears. Alleen piano, een desolate sonate, en een stem, gelaten, melancholiek, androgyn – die zingt over uitgewoonde gezichten, met tranen volgelopen brillenglazen en nergens meer een volgende dag te bekennen. `And I find it kind of funny, find it kind of sad, that dreams in which I'm dying, are the best I ever had.'

Weltschmerz, ik hoor het de nuchtere kopkrimper die praktijk houdt tussen mijn oren al zeggen, en ik kan niet anders dan het beamen. Maar dan wel op zijn kop: wat hier wordt uitgedrukt, in film zowel als lied, is niet zozeer het lijden áán de wereld of het lijden ín de wereld als wel het lijden ván de wereld, en alles wat daarin staat, hangt, ligt, valt. Ook al is het niet toevallig dat Weltschmerz opkomt in een levensfase waarin je geacht wordt je kinderlijke verwondering over en zielsverbondenheid met de dingen om je heen in te ruilen voor een idee van de wereld als `hard' en `harteloos'. Met daartegenover, altijd in de kou, een heroïsch `ik' – dat als hopeloze taak heeft de boel in zijn eentje bij elkaar en warm te houden. Geen wonder dat die zich het liefste dooddroomt.

De wereld die hier in het geding is, is de wereld die zozeer te lijden heeft gehad onder de haar opgedrongen rol van mechanische afgod, van tot grondstof vergane vergaarbak van zielloze objecten, dat zij er het liefst een eind aan zou maken. En nee, dokter, als ik het heb over zoiets als het terugbezorgen van de ziel van de wereld heb ik het niet over een of andere geest die nog steeds als rook over de wateren zweeft of een bergtop vol archetypes en genezijdige superideëen of een in alle dingen ademende panpsychische levenskracht. Ik heb het over de bezielde mogelijkheden die zich aandienen in de wijze waarop ieder afzonderlijk ding, elke gebeurtenis, elk moment, zich aandient: het gezicht dat zij ons toekeren.

We zijn altijd veel te gierig en egocentrisch geweest bij de toewijzing van leven, laat staan ziel alsof dingen zonder zelfbewustzijn, zonder eigen ervaring, geen binnenkant kunnen hebben, geen diepte. Alsof de ziel bovendien niet juist ook en vooral aan de buitenkant zit in het zo-en-niet-anders van de vorm waarin de dingen zich aan onze blik presenteren. Alle dingen, godgegeven en godvergeten, uit de natuur of van de straat, getuigen nadrukkelijk van hun aanwezigheid: `Kijk, hier zijn we!' En de manier waarop ze daarmee acht op ons slaan is meer dan alleen de weerspiegeling van onze blik. Ze trekken duidelijk onze aandacht, en precies daarin en in de sjoege die onze verbeelding, onze eigen binnenkant, hun naar aanleiding daarvan geeft zit de bezieling van de wereld.

De gezichten die de wereld naar ons trekt, meer is er niet.

In de koran staat geschreven: `Alles gaat teniet behalve Zijn gezicht'. Uiteindelijk is het gezicht van de dingen zoals ze zich tonen het enige dat overblijft, de rest kan in het door dat gezicht afgedekte niets verdwijnen, al dan niet ten prooi aan nihilistische constructies, metafysische wanhoop, Weltschmerz.

Wanneer je niet meer weet waar je het zoeken moet, wend je dan tot het gezicht vlak voor je, wend je tot de wereld.