Bang voor bijna alles

De wereld is in de greep van de angst, schrijft Joanna Bourke in een cultuurhistorische studie over wat ons bang maakt. Angst heeft steeds nieuwe verschijningsvormen, tegenwoordig vaak die van een Arabische terrorist. Maar wat als de angst terecht blijkt te zijn?

We leven in angstige tijden. Afgelopen november verkocht Het Parool in Amsterdam T-shirts met als opschrift: `BANG!' Geert Mak typeerde in zijn pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid Nederland als een `angstcultuur' en verweet de media en de politiek `handelaren in angst' te zijn. Ahmed Larouz, voorzitter van Tans, een organisatie van hoogopgeleide allochtonen, constateerde onlangs dat ook onder nieuwe Nederlanders `woede en angst' groot zijn. Het aantal emigratie-aanvragen voor landen die wereldwijd als de drie veiligste te boek staan (Nieuw-Zeeland, Canada en Australië) is sterk gestegen.

Angst heeft daarbij een nieuw gezicht gekregen, schrijft Joanna Bourke in Fear, haar boeiende en lijvige cultuurgeschiedenis van de angst. Vaak heeft dat gezicht Arabische trekken. Lang dachten westerlingen bij een Arabier, onder invloed van `Arabierenvriend' Lawrence of Arabia (1888-1935), aan een vriendelijke bedoeïen op een kameel in de woestijn. Na 11 september 2001 is `de Arabier' volgens Bourke een sinistere fundamentalist met een baard in een jurk, waaronder hij een wapen verbergt. In de westerse angstfantasie staat de Arabier met stip op nummer één als grootste angstgenerator. `De Terrorist' heeft, aldus Bourke, een `goddelijke angstaanjagende macht' verworven die vergelijkbaar is met een plaag uit vroeger tijden, religie of de duivel. De leiders van de islamitische wereld figureren als de personificatie van het kwaad: Gaddafi, ayatollah Khomeini, Saddam Hussein en Osama bin Laden.

De haat jegens en angst voor de Arabier is niet nieuw, stelt Bourke, en werd al langere tijd buiten proportioneel, actief gecultiveerd in representaties van Arabieren in diverse media. In Reel Bad Arabs (2001) analyseerde Jack G. Shaheen meer dan 900 films waarin Arabieren figureren: het merendeel wordt neergezet als brutale, harteloze, ongeciviliseerde, religieuze fanatici die er op uit zijn om westerlingen, christenen en joden met name, te terroriseren. Veel westerlingen vereenzelvigen het kwaad per definitie met een buitenstaander, de Arabier. Over Timothy Mc Veigh, de Amerikaan die in 1995 een federaal gebouw in Oklahoma opblies en 168 mensen doodde, hield president Bush vol dat iemand die zo kwaadaardig was, `geen Amerikaan kon zijn'.

Joanna Bourke is hoogleraar geschiedenis van Birbeck College in Londen en auteur van onder meer An Intimate History of Killing, een veelgeprezen studie naar brieven, dagboeken en memoires van soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog en de oorlog in Vietnam. Ze begon haar onderzoek naar angst ruim vóór de terroristische aanslagen van 11 september 2001. In de periode dat de `wereld instortte', kreeg Bourke te horen dat ze ongeneeslijk ziek was – welke ziekte, dat komen we niet te weten. Haar onderzoek naar de geschiedenis van de angst kwam daardoor in een ander licht te staan. Had ze zich eerder, in veiliger tijden, vergaapt aan verslagen van angstige mensen in tijden van oorlogen en rampen, dossiers van angstgenezers (`emotiemanagers') en representaties van angst op foto's en in boeken en films, nu kreeg het piekeren over dood en verderf, nachtmerries en angstfobieën, dodelijke technologieën en virussen, voor haar persoonlijke relevantie. Haar toekomst was onduidelijk, angstig en onzeker. Wat betekent een woord als `emotiemanagement' als je eigen dood wordt aangekondigd? Hoe verhoudt zich de individuele angst tot de grote geschiedenis die op dat moment door `angst' wordt beheerst?

Het is een van de vele interessante vragen die Bourke opwerpt in haar inleiding. Bourke, die zich overigens baseert op bestaande literatuur, deelt vervolgens de geschiedenis in door `angsttijdperken' te onderscheiden. Zo volgen we via chronologische hoofdstukken onder meer het tijdperk van massa-angst (eind negentiende eeuw, met de opmars van winkelcentra, theaters en stadions), `psycho-angsten' als nachtmerries en fobieën in de jaren twintig (Freud), angst voor oorlog (jaren dertig, veertig) en nucleaire angst (jaren vijftig), mannenangst (feminisme in de jaren zestig en zeventig), angst voor kanker (jaren zeventig), aids (jaren tachtig), natuurrampen en bioterrorisme (jaren negentig), het `rode gevaar' (Koude Oorlog) en het `groene gevaar', oftewel het moslimterrorisme dat na 2001 heeft geleid tot een `getraumatiseerde' angstmaatschappij.

Steeds keren daarbij dezelfde vragen terug: is er een verschil tussen angstaanjagende gebeurtenissen die door de mens zijn veroorzaakt of door de natuur (zoals een tsunami)? Hoe verschillen oude `grote' angsten (levend begraven worden, drukbevolkte theaters, Titanic-achtige scheepsrampen) van nieuwe `kleine' angsten (statusangst, vliegangst, speechangst) en hoe verschillen individuele angsten als nachtmerries of fobieën van maatschappelijke angsten als terrorisme? Worden individuele angsten aangejaagd of zelfs gecultiveerd door de omgeving? Welke rol spelen de massamedia als angstaanjager dan wel angstdemper? En: hoe onderzoek je als historicus eigenlijk een geschiedenis van een emotie?

Om met dat laatste te beginnen: Bourke hanteert een onderscheid dat vaker door emotiehistorici (er zijn cultuurgeschiedenissen van onder meer woede, verdriet en blijdschap geschreven) wordt ingezet, namelijk tussen `collectieve emotiestandaarden in een maatschappij' en `subjectieve gevoelens'. Aan dat laatste branden de meeste historici liever hun vingers niet. De historicus kan weliswaar op zoek gaan naar getuigenissen waarin mensen vertellen dat ze `bang' waren en afbeeldingen bestuderen van mensen die er `angstig' uitzien, maar hoe weet je of diegene echt bang is en bijvoorbeeld niet kwaad? Weliswaar worden er bepaalde fysieke eigenschappen toegeschreven aan angstige mensen, maar veel daarvan zijn tegenstrijdig: men `verstijft' en wordt `bleek', maar men `vlucht' ook of gaat `hevig zweten'. Een beter handvat biedt het onderzoek naar de heersende normen en waarden in een bepaalde periode. Bijvoorbeeld: onder welke omstandigheden is het `normaal' te laten zien dat je angstig bent, hoe waardeert men de uiting van de angst?

In Fear passeren verspreid over verschillende hoofdstukken enkele grote theorieën en denkers over angst de revue, van de negentiende-eeuwse zoektocht van wetenschappers als Charles Darwin naar de biologische grondslag van emoties in The Expression of the Emotions in Man and Animals (1872) tot de meer op opvoeding en het individu gerichte opvattingen van Freud over de relatie tussen angst en seks- en doodsdriften, waarbij onder meer angstdromen (nachtmerries) een bron van psychoanalyse vormden.

De geschiedenis toont zo dat opvattingen over wat beangstigend is, aan grote veranderingen onderhevig zijn. Hoewel Bourke zich enigszins op de vlakte houdt wat betreft haar eigen positie, lijkt zij sterk te zijn beïnvloed door de opvatting dat angst een sociaal-culturele constructie is. In de sterkste variant van de sociaal-constructivistische positie – hier klinkt tevens de echo van Geert Mak – stelt men dat emoties moedwillig worden `geproduceerd' door dominante instituties zoals de kerk, de overheid, het onderwijs en de media. Deze opvatting klinkt ook door bij Bourke, die uitspraken over `reële' of `gerechtvaardigde' of `toegenomen' angst vermijdt. Ze stelt dat angsten verschuiven als de macht van bepaalde instituties af- dan wel toeneemt. Als het bijvoorbeeld gaat om `doodsangst', dan is `angst voor de hel' door afname van de kerkelijke invloed in het Westen steeds meer verdwenen. Secularisering heeft doodsangst echter niet weggenomen: daarvoor is een angst voor het `niets' en het onbekende in de plaats gekomen.

Die sociaal-constructivistische aanpak werkt soms verhelderend, maar heeft ook nadelen: Bourke besteedt weinig aandacht aan gerechtvaardigde angst. Wie vliegtuigen in torens ziet gaan, heeft goede redenen om bang te zijn. Ook de kwestie rondom de beeldvorming van de Arabieren is in dit opzicht lastiger dan Bourke de lezer wil doen geloven; soms valt de reële terrorist wel degelijk samen met het geconstrueerde beeld van `de vijand'. Osama bin Laden bestaat – voor zover we weten nog steeds – echt.

Bourke begint haar cultuurgeschiedenis met twee van de grootste angsten in een mensenleven, namelijk voor de dood en voor rampen. De Amerikaanse Eleanor Markham, een jonge vrouw, werd op 8 juni 1894 na een hartstilstand ten onrechte dood verklaard. Gestommel in de lijkkist redde haar leven. De angst om levend begraven te worden leefde in de negentiende eeuw veel breder. Er werden lijkkisten ontworpen waar een alarmbel in zat en Edgar Allen Poe speelde in op de angstgevoelens met zijn griezelverhaal `The Premature Burial' (1850). De panische angst om te vroeg te worden begraven resulteerde zelfs in de oprichting van The American Society for the Prevention of Premature Burial. Die organisatie spoorde medische opleidingen aan om de fysische grenzen van dood en leven helder te diagnostiseren. De voorzichtige opmars van crematie aan het eind van de negentiende eeuw droeg haar steentje bij: wie verbrand werd, was in ieder geval dood.

De angst voor een voortijdige begrafenis hield volgens Bourke even plotseling op als hij was begonnen. Rond 1914, toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak en ironisch genoeg het levend begraven worden in de loopgraven trieste werkelijkheid werd, verplaatste de angst zich van het `gewone' leven naar de `oorlogssituatie', die aan soldaten was voorbehouden. Overigens, zo merkt Bourke op, heerst tegenwoordig een omgekeerde angst: de vrees om te lang in leven gehouden te worden. De angst voor de hel is vervangen door de angst voor pijn bij sterven waarbij men zich wendt tot het medische circuit voor antwoorden over de afbakening tussen leven en dood.

Begin twintigste eeuw groeide tevens een nieuwe collectieve angst, de angst voor de massa. Op woensdagochtend 30 december 1903 werden zeshonderd mannen, vrouwen en kinderen verslonden door een brand in het Iroquois Theater in Chicago. Het incident stond niet op zichzelf: sinds de zogeheten `Great Chicago Fire' uit 1871 waren verschillende filmhuizen, theaters en sportstadions door brand, aardbevingen of slechte bouwconstructies verwoest. Om mogelijke paniekaanvallen te dempen ging men bij de bouw rekening houden met `emotiemanagement'; immers, dergelijke plekken waren in zichzélf gevaarlijk omdat filmhuizen, sportstadions en theaters bij uitstek emoties oproepen.

Het `externaliseren' van angst, door een object aan te wijzen als de angstveroorzaker, is het bekendste mechanisme om met angst om te gaan. Niet de mens is gevaarlijk, maar een object, en zijn mogelijke foutieve constructie, zoals een gebouw met te weinig nooduitgangen of een schip dat niet op tijd via een radar de omvang van drijvende ijsblokken aangeeft (Titanic, 1912). Angstgevoelens worden in toenemende mate een zaak van ruimtelijke ordening en veiligheidsvoorschriften, en uiteindelijk een zaak voor de overheid die daar zorg voor moet dragen. Bij grote rampen die zich in Nederland voordeden – de Bijlmerramp of de vuurwerkramp in Enschede – werd al snel de overheid ter verantwoording geroepen voor het falen bij het waarborgen van de veiligheid.

Als we er niet in slagen de angst te objectiveren, te bezweren en te beheersen, schrijft Bourke, dan kunnen we ook een menselijke zondebok aanwijzen. Zo wordt tegenwoordig de terrorist vereenzelvigd met één religie (islam), één figuur (de Arabier), één groep (Al-Qaeda) en één leider (Osama bin Laden). De zondebokgedachte wordt verder uitgewerkt in de beste hoofdstukken uit Bourkes boek, die gaan over ziekten als aids en kanker. Onder verwijzing naar Illness as Metaphor van de onlangs overleden critica Susan Sontag beargumenteert Bourke dat niet alleen groepen, maar ook woorden dusdanig gestigmatiseerd kunnen raken dat ze elke serieuze reflectie belemmeren. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw werd niet alleen de ziekte kanker gevreesd, maar ook het woord zelf. Men sprak liever van `K' (of the `C-word' in het Engels). Masochisten en chronische piekeraars zouden er vatbaarder voor zijn dan anderen. Aids werd aanvankelijk gezien als een homoziekte (`homoplaag') waardoor de `normale', `gezonde' rest van de bevolking zich aanvankelijk `veilig' waande. Inmiddels wordt over het K-woord niet meer gesproken, popsterren als Kylie Minogue en Anastacia hebben het openlijk over hun borstkanker.

Bourke laat soms mogelijkheden voor analyse liggen. Anders dan je zou verwachten, besteedt Bourke in haar cultuurgeschiedenis weinig aandacht aan gender en etniciteit, hoewel het sociaal-constructivistische uitgangspunt zich daar bij uitstek voor leent. Slechts terloops komt de beruchte negentiende-eeuwse angst van mannen voor vrouwen aan bod. In zijn invloedrijke studie After The Great Divide, Modernism, Mass Culture and Postmodernism (1986) heeft Andreas Huyssen laten zien hoe in de negentiende eeuw, termen als massa, hysterie en angst aan het `vrouwelijke' werden gekoppeld. Ook in literaire, filosofische en psychoanalytische teksten vond deze associatie van het vrouwelijke met angst plaats, zoals bij Oscar Wilde, Nietzsche en zenuwartsen die meenden dat vrouwen van nature angstgevoeliger waren – wat later door feministen weer werd gediagnosticeerd als de mannelijke poging tot bezwering van hun angst voor het vrouwelijke. Vrouwen mogen over het algemeen nog steeds banger zijn dan mannen, terwijl mannen vaak nog altijd moeten leren om emoties als angst te onderdrukken, omdat zij anders het stigma `verwijfd' opgeplakt kunnen krijgen.

Daar tegenover staat dat Bourke in een boeiend hoofdstuk wél de schijnwerpers richt op de angst van vrouwen voor mannen. Ze constateert dat in de beginjaren zeventig van de twintigste eeuw vrouwen vreesden voor verkrachting; ze durfden in het donker niet alleen over straat. Bourke betoogt dat de angst voor `seksuele vervuiling' een steeds terugkerende maatschappelijke angst is. Na verkrachtingsangst kwam de pedofilie-angst – een ware angsthype in de jaren zeventig in Engeland. Met tal van voorbeelden (`Know Your Nanny'-bewakingssystemen') laat Bourke zien hoe het onschuldige kind symbool werd van de morele paniek in de maatschappij, een angstgolf die overigens nog niet is overgewaaid, gelet op het proces tegen Michael Jackson in de Verenigde Staten.

Bourke sluit af met een hoofdstuk over terreur in de 21ste eeuw. Het rode gevaar (communisme) zou met name in Amerika weinig subtiel vervangen zijn door het `groene' gevaar (de kleur van de islam); in de conservatieve National Review stonden koppen als `De moslims komen er aan! De moslims komen eraan!' Retorisch angst generen, dat verwijt viel overigens ook Geert Mak ten deel: twee medewerkers van de VVD-denktank verweten hem in de Volkskrant dat het voortdurend in de mond nemen van `angst', angst in de hánd werkte.

Dat geldt echter niet voor Fear. Integendeel. Bourkes soepele, soms zelfs wat gelikte, suggestieve schrijfstijl, waarbij het woord `angst' minstens tien keer per pagina valt, werkt niet angstgenererend op je in, maar eerder angstdempend. Hoe vaker het woord valt, hoe minder effect het heeft. Soms is het alsof je eerder een ontspannend en onderhoudend griezelboek leest dan een historische studie. Het esthetische fotokatern in zwart-wit met angstaanjagende afbeeldingen, zoals een naakte vrouw die tegenstribbelt voor de hersenoperatie die ze moet ondergaan, krijgt iets van een freakshow uit andere tijden. De vele nawoorden bij de verschillende hoofdstukken maken daarbij een onnodig frivole indruk, alsof de auteur bij ieder onderwerp dacht: nog een angstaanjagende anekdote vergeten! Dat werpt de vraag op: wat wil Bourke precies met dit boek, wat vindt ze nu eigenlijk van angst? Wellicht wil ze ons geruststellen. Angsten komen en gaan. Wie zich in de geschiedenis verdiept, weet: we zijn altijd bang geweest.

Bourke maakt verhelderende vergelijkingen en legt intrigerende verbanden tussen angstaanjagers in de verschillende `angsttijdperken' die zij onderscheidt. De lezer blijft daarbij in het ongewisse over de aard en het verloop van Bourkes eigen ziekte en de invloed daarvan op het doen van onderzoek naar angst. Mogelijk schuilt haar persoonlijke stellingname in het bijna vrolijke slot van het boek, waar – misschien juíst door de intrigerende opgewekte toon – even een angstige, gapende afgrond voelbaar wordt. Van de angst voor de Arabier stapt Bourke abrupt over op de voordelen van angst. Mensen hebben recht op angst, stelt Bourke. Angst heeft nut. Een wereld zonder angst zou niet alleen saai zijn, maar angst drijft de mens voort en is de drijfkracht van de geschiedenis. Een wereld zonder angst zou een wereld zonder liefde zijn. Iedereen die wel eens bang is geweest een geliefde te verliezen, drijft rond in een leegte, die in feite de `duizeligheid van vrijheid' representeert, aldus citeert ze op de valreep Kierkegaard. Behalve om zijn sombere levensvisie, stond deze wijsgeer ironisch genoeg bekend om zijn buitengewoon ongelukkige liefdesleven.

Joanna Bourke: Fear. A Cultural History. Virago, 500 blz. €32,20