Apocalyps op z'n Frans

Toen Une vie française vorig najaar werd bekroond met de prix Femina, verschenen er artikelen met de kop `Wie is Jean-Paul Dubois?'. De roman was dan wel uitstekend ontvangen, de auteur was allerminst een gedoodverfde winnaar. Dubois, reporter voor het weekblad Le Nouvel Observateur, had weliswaar zo'n vijftien eerdere boeken gepubliceerd, een bekende in het Parijse literaire wereldje was hij niet – niet het minst omdat hij verkoos te wonen in zijn geboorteplaats Toulouse in plaats van in de hoofdstad. Vanuit die provincieplaats volgde Dubois decennialang de ontwikkelingen in de VS, het land waarover hij vele reportages schreef. Zijn artikelen over dat land bundelde hij in L'Amérique m'inquiète (1996) en Jusque-là tout allait bien en Amérique (2002).

In Une vie française spelen de VS geen enkele rol – het gaat om een honderd procent, bijna karikaturaal Frans leven – maar de vorm van de roman is geënt op Dubois' grote literaire voorbeelden, Philip Roth en John Updike. Niet alleen ontleent Dubois een van zijn motto's aan Updike (`We bezitten niemand, behalve in onze herinnering') en citeert hij in zijn boek hilarische passages uit Portnoy's complaint van Roth als het gaat om seksuele aberraties van zijn personages, zijn hele inzet is die van zijn Amerikaanse collega's: een compleet tijdsbeeld oproepen van een tijdperk, een maatschappij en verschillende generaties, aan de hand van het leven van één gezin.

De Grote en de Kleine geschiedenis worden met elkaar verweven. De politieke en sociale geschiedenis heeft zijn weerslag op het leven van de doorsnee burger en op zijn beurt maakt het individu onderdeel uit van de grotere gebeurtenissen. Zo omspant Dubois meer dan een halve eeuw Frankrijk, een verhaal dat hij hoofdstuksgewijs indeelt naar de regeringstermijnen van de presidenten, van Charles de Gaulle tot Jacques Chirac.

Dubois' antiheld (en alterego) is de in 1950 geboren Paul Blick, zoon van een garagehouder en een correctrice, kleinzoon van een grootgrondbezitter van vaderskant en van een schaapherder van moederskant. Paul is acht als op 28 september 1958, de dag waarop er gestemd wordt over de grondwet van de Vijfde Republiek, zijn tienjarige broertje sterft – een verlies dat voorgoed de sfeer in het gezin verandert. Voortaan wordt diens plaats aan tafel ingenomen door het televisietoestel, dat bijna voortdurend het hoofd van De Gaulle laat zien. Vader valt stil, moeder wordt een wassenbeeld, grootmoeder blijft dictator en over erfenissen wordt met ooms en tantes gestreden. `Dat was mijn familie in die tijd, onaangenaam, ouderwets, rechts, verschrikkelijk triest. In één woord, Frans. (..) Opgroeien in dat Frankrijk was niet gemakkelijk.'

Maar er zat niets anders op. Vader opent een Simca-garage, symbool voor de jaren zestig, en betreurt het bijzonder als De Gaulle het merk ontrouw wordt en zich voortaan in een presidentiële Citroën vertoont. Mei '68 is in dit benauwde milieu niets minder dan `een bruuske en diepe kloof in het continuüm van een tijdperk, een interstellaire reis'. De reden? `Franco's wurgpalen, de verwaandheid der vorsten, de bankschroef van de moraal, de almacht van de mandarijnen, het Tweede Vaticaans Concilie, mijn vader met zijn nieuwe moderne praatjes over die klote-Simca's van hem.' Paul gooit zelfs, meegesleept in een demonstratie, de ruiten van zijn vaders garage in. Zijn eerste liefde, een Engelse, verlost hem van zijn gebrek aan kennis op amoureus en seksueel gebied. Met een latere geliefde breekt hij wanneer zij liever naar de eerste maanwandeling op televisie kijkt dan met hem de liefde bedrijft. Op deze manier slaagt Dubois er meesterlijk in een heel tijdperk in kaart te brengen en tegelijkertijd een persoonlijk verhaal te vertellen dat voortdurend blijft boeien. Onnadrukkelijk, nonchalant bijna – een toon die ook in de goede vertaling tot zijn recht komt – laat Dubois zijn verteller opgroeien: student sociologie, met een diploma op zak waarvoor in die roerige tijd nauwelijks gestudeerd hoefde te worden, een baantje als sportjournalist, huwelijk met de dochter van de baas. Die liefdevolle studente ontpopt zich als keiharde, rechtse zakenvrouw, die een zwembadenimperium sticht. Van links activist met idealen wordt de verteller tot overspelige, enigszins wereldvreemde huisman. Prachtige bladzijden wijdt Dubois aan de hilarische manier waarop zijn in de tijd verdwaalde hoofdpersoon een fortuin verdient met het fotograferen van bomen, eerst binnen de grenzen van Frankrijk, later wereldwijd. De rust en de verinnerlijking, de haast persoonlijke relatie van de verteller met zijn bomen, staan in schril contract met de marktmechanismen die van hem een miljonair maken. Op de sociale ladder stijgt hij met sprongen. Van kneus in de schoonfamilie wordt hij geziene gast.

Bijna driehonderd bladzijden blijf je geboeid door het magnifieke panorama van Frankrijk dat Dubois voor zijn lezer ontvouwt. Dan laat hij het noodlot toeslaan. Dood, onvermoed overspel, plotselinge financiële debâcles en waanzin zijn de ingrediënten van een apocalyps waarin al het menselijk kwaad in een keer naar buiten komt. Terwijl Dubois' humor eerder zorgde voor een lichte, ironische toon, valt nu in één keer, loodzwaar, onherroepelijk maar ook uit het niets, het doek over de Franse levens waarmee de lezer vertrouwd was geraakt.

In een interview vertelde Dubois dat de slotzin al vaststond voordat hij aan zijn roman begon: `Het leven was niet meer dan een onzichtbaar draadje dat ons met anderen verbond en waardoor we (...) geloofden dat we iets waren in plaats van niets.' Van dat iets raak je al lezend doordrongen, maar die nekslag aan het eind heeft, ook voor toekomstige Franse levens, weinig goeds in petto.

Jean-Paul Dubois: Een Frans leven. Uit het Frans vertaald door C.M.L. Kisling. De Arbeiderspers, 213 blz. €16,95

Op dinsdag 24 mei, 20 uur, geeft Jean-Paul Dubois een lezing in het Maison Descartes in Amsterdam. Reserveren: d.bourgois@maisondescartes.nl