Waardering voor `persmuskieten'

In zijn column van 6 mei jl. (`Totale democratisering') heft Hofland een klaagzang aan over de – zijns inziens extreem lage – publieke reputatie van de journalistiek. Als generatiegenoot van de schrijver en bewonderaar van hem en zijn professie wil ik trachten hem wat te troosten door te wijzen op enige onvolkomenheden in zijn `bewijsvoering'. Hofland roept namelijk voor zijn stelling ten onrechte twee sociologen als getuigen aan: Max Weber (1864-1920), één der internationale grondleggers van ons vak en F. van Heek (1907-1987) die in Nederland een saillante bijdrage leverde aan de groei en bloei van de sociologie, vooral door zijn studies over rangen, standen en sociale mobiliteit.

Welnu, in zijn essay Politik als Beruf (1919) geeft Weber hoog op van de journalist en vergelijkt hem met `de geleerde', een vergelijking die doorgaans in het voordeel van de eerstgenoemde uitvalt. Zo betoogt hij onder meer dat het beroep van die journalist in diverse opzichten verantwoordelijker is, hogere eisen stelt dan dat van de geleerde. In dit verband vormt het door Hofland vermelde verhaal van een hoogwaardigheidsbekleder die zich verontschuldigt voor het uitnodigen van de ,,ratten van de pers'', dus geen aanwijzing voor de lage dunk die het publiek van die `persmuskieten' zou hebben. Integendeel, Weber geeft hiermee aan dat juist omdát het publiek zoveel waarde hecht aan diens pennenvruchten, machthebbers proberen de journalist door vleierij voor hun karretje te spannen, terwijl zij hem vanwege zijn onafhankelijk oordeel eigenlijk verfoeien.

Verder zou Van Heek, aldus de droevig gestemde Hofland, ,,op zijn maatschappelijke ladder'' de journalist ergens tussen glazenwasser en vuilnisman geplaatst hebben!? Ik neem aan dat het hierbij gaat om de relatieve hoogte van het beroepsaanzien van de journalist in de ogen van een – zorgvuldig samengestelde – steekproef van Nederlanders in 1953. In de publicatie hierover van Vercruijsse en Van Heek troont de journalist op een – alleszins eerzame – plaats in het midden tussen een onderwijzer bij het lager onderwijs en een technisch tekenaar. Blijkens een soortgelijk onderzoek (van Sixma en Ultee) zit de journalist bijna dertig jaar later evenmin in de buurt van die glazenwasser en vuilnisman onderaan, maar wederom in het `onbeweegbare midden', ditmaal geflankeerd door een makelaar en – wat wil je nog meer? – door een commandant bij de brandweer. Ik vermoed dat sindsdien in de maatschappelijke status van de journalist niet veel veranderd is.

Overigens, om nog even terug te komen op de hoge dunk van Max Weber voor de journalistiek, als ik het goed zie is de achting die sociologen in het algemeen koesteren voor dit beroep, eerder toe- dan afgenomen. Immers, waar vroeger ambitieuze sociologen mikten op het hoogleraarschap als hoogste sport op de maatschappelijke ladder, is thans `het einde' – slechts voor enkele hyperenergieke en creatieve geleerden (à la Van Doorn, Pels, Schuyt) weggelegd – een journalistieke carrière als columnist. Bovendien kunnen tegenwoordig sociale wetenschappers die zich met contemporaine kwesties – zoals inter-etnische verhoudingen en conflicten, politieke en sociale massabewegingen, globalisering en transnationale netwerken – bezighouden, het moeilijk stellen zonder de berichtgeving van de moderne onderzoeksjournalistiek. Hierdoor – en trouwens ook al omdat veel journalisten die dit soort achtergrondanalyses verrichten, zelf een sociaal-wetenschappelijke opleiding volgden – vervagen de grenzen tussen de professies van journalisten en sociaal-wetenschappelijke `geleerden'.

Intussen is het natuurlijk de vraag of de journalist terecht de (hoog)achting van de socioloog en het publiek in het algemeen geniet. Deze troostrede wil ik dus niet al te ver doorvoeren, want zonder een flinke dosis collectieve twijfel aan de zin en verdiensten van het eigen vak vaart noch de journalistiek, noch ook de sociologie wel.

Prof.dr. C.J. Lammers is oud-hoogleraar sociologie van de organisatie aan de Universiteit Leiden.